Afbeelding overgenomen van: http://latinoamericaporcuba.blogspot.com/
“De chocola is op!”, schreeuwden mijn twee vrienden toen ik de deur voor hen opendeed, die avond van 31 juli 2006. Met hun geïmproviseerde slogan, refereerden ze aan het meest recente plan van Fidel Castro om aan iedere Cubaan een vaste hoeveelheid chocolade toe te kennen via de rantsoenenmarkt. Toen zij aanbelden, waren er nog slechts twee uur te gaan voordat het 1 augustus was en Carlos Valenciaga had zojuist op televisie de onverwachte mededeling gedaan over de ziekte van de onze Leider. De lichten van de Raad van State bleven vreemd genoeg de hele nacht branden en een onheilspellende stilte viel over de stad. Gedurende die lange nacht zou niemand een oog dicht doen bij ons thuis.
Toen mijn vrienden zich een tweede glas rum inschonken, begonnen ze te vertellen hoe vaak ze deze dag al hadden voorspeld, dat bericht hadden voorvoeld. Hij muzikant; zij televisieproducent. Beiden geboren en opgegroeid onder de macht van dezelfde president die hun levens tot in de kleinste details had bepaald. Ik hoorde ze praten en was verbaasd over hun opluchting, de waterval aan wensen voor de toekomst die nu aan hun voeten lag. Misschien voelden zij zich vrijer sinds die ene aankondiging. De tijd zou hen leren dat, terwijl wij aan het kletsen waren over de toekomst, anderen er voor zorgden dat het pakketje voor de opvolging netjes en strak werd ingepakt.
Vijf jaar later is het gehele land doorgegeven via bloedbanden. Raúl Castro heeft als erfenis een land gekregen, inclusief zijn grondstoffen, zijn problemen en zelfs zijn inwoners. Alles wat hij de afgelopen vijf jaar heeft gedaan stond in het teken van de opdracht om de familiejuwelen van zijn broer niet te verspelen. De traagheid van zijn hervormingen, de schoorvoetendheid en oppervlakkigheid ervan, zijn mede getekend door zijn gevoel dat het patronaat aan hem was toevertrouwd. En mijn vrienden?, zult u zich afvragen. Welnu, ze zijn geschrokken geëmigreerd zodra ze inzagen dat onder het mandaat van het kleine broertje de repressie gewoon doorging en het uiten van afwijkende meningen nog steeds werd gestraft. Ze zullen nooit meer aanbellen, of de deur binnenlopen zoals ze dat in 2006 deden, uitgelaten en overtuigd dat een nieuwe dag was begonnen.
Olieverfschilderij van José Luis Fuentetaja (1971)
Het was nog heel vroeg, de wallen onder de ogen van de spreker zagen er uit als twee donkere wonden en de zon scheen nog niet al te fel op het Máximo Gómezplein. Op stoelen met kussens woonde een kleine groep de viering van de 26ste juli in de provincie Ciego de Ávila live bij. Ondertussen gingen de overige mensen op het plein op plastic stoeltjes zitten of bleven eenvoudigweg staan. Thuis voor de buis deden de weinige kijkers hun best om niet weer in slaap te vallen. De opbouw van het evenement was zo saai en zo voorspelbaar dat het af en toe wel een herhaling leek van een eerder jaar. Er was nog geen spontaan briesje om het haar van de aanwezigen te laten bewegen. Zelfs de vlieg die graag in beeld wilde komen, op het gezicht van de belangrijkste spreker, zag er onecht uit.
Maar het meest slaapverwekkend waren de woorden van José Ramón Machado Ventura. Een uur nadat je ze gehoord had, was het moeilijk om je te herinneren wat de meest grijze van de vicepresidenten, de meest dogmatische van de orthodoxen, nu eigenlijk had gezegd. Tijdens de geplande pauzes in het betoog riep iemand een leus die daarna door de menigte werd herhaald. Ook het applaus klonk op passende wijze georkestreerd: zonder ongeoorloofde uitbarstingen of op ongeregelde momenten. Enorme geloofsbrieven hingen om de nek van hen die het genoegen hadden op een stoel te zitten. Met zoveel overdaad aan papier en plastic logenstraften zij de oproep vanaf het podium tot efficiency en tot het beëindigen van de bureaucratie.
Op een moment dat het einde moet zijn geweest, hoewel het ook best alleen maar een pauze in het draaiboek kon zijn, ging Raúl Castro weg zonder een woord tot de menigte te hebben gericht. Hij stond op en vertrok, op de voet gevolgd door een trouwe lijfwacht die meer zendtijd op tv krijgt dan sommige ministers. Het plein begon snel leeg te lopen, terwijl de spreker probeerde af te sluiten met bepaalde leuzen die ooit passie opriepen. “En dat is alles wat er van over is?” dacht ik met een gevoel van spijt voor die anderen. “Met deze dodelijk vermoeide choreografie denken ze nog passie op te roepen?” Ik zette de tv uit midden in een zin en ging weer slapen. Buiten verwarmde de zon de balkons, droogde plassen op en maakte de scheuren in de gebouwen weer duidelijk zichtbaar.
Ter nagedachtenis aan Pedro Meurice Estiú, emeritus aartsbisschop van Santiago de Cuba
Monseigneur Pedro Meurice Estiú werd de “Leeuw van het Oosten” genoemd vanwege zijn getoonde moed in de strijd tegen onrechtvaardigheid en autoritarisme. Die 24ste januari in 1998, op het Antonio Maceoplein in Santiago de Cuba stond zijn gezicht serieus, in gedachten verzonken. Paus Johannes Paulus II was net klaar met zijn preek en de aartsbisschop van Santiago de Cuba stond klaar om het woord te richten tot zijn volgelingen en tot de kerkleider die hen kwam bezoeken. Voordat Meurice het podium betrad, sprak hij met priester José Conrado Rodríguez Alegre en zei: “Deze leeuw is al oud en zijn manen worden dunner, maar brullen zal hij”. Hij nam de microfoon en hield zijn woord.
Tot verbazing van de inwoners van Santiago die daar samenkwamen en van degenen die de uitzending rechtstreeks via de televisie volgden, leek de toespraak van Meurice onze gedachten te verwoorden, alsof hij opwelde uit onze eigen monden. “Heilige Vader … ik stel u voor aan een groeiend aantal Cubanen dat het Vaderland heeft verward met een partij, dat de natie heeft verward met het historische proces dat we de laatste tientallen jaren hebben beleefd en dat de cultuur heeft verward met een ideologie”. Aan deze kant van het scherm konden velen niet stoppen met applaudisseren, huilen, springen en kijken naar het gelijktijdig verwarde en geïrriteerde gezicht van Raúl Castro, die onderaan de tribune zat. Nog nooit had iemand tegen de Minister van Defensie – in het openbaar en voor het oog van zoveel getuigen – dergelijke waarheden verteld. Enkelen verlieten geschrokken het immense plein, maar anderen – de moedigsten – scandeerden het woord “Vrijheid”.
“Dit volk heeft de rijkdom van de lach en een materiële armoede die het triest en ongerust maakt, zozeer zelfs dat het bijna niet de directe levensbehoeften voorbij kan kijken”, brulde de leeuw verder. En in ons lethargisch burgerbesef begon iets zich uit te rekken. Meurice keerde terug naar zijn vitaalste jaren en de zwaarden die uit de grond van dat plein verrijzen verweten ons de verloren gegane rebellie gedurende een vergeten tijdperk in de geschiedenis. Een paar korte minuten waren we vrij. De toespraak eindigde; het norse gebaar van onze huidige president voorspelde berispingen voor de oude leeuw, maar de herderstok van Johannes Paulus II zou hem beschermen.
Vandaag heeft Pedro Meurice ons verlaten, met zijn edelmoedigheid van een kat die haar nest beschermt, ons achterlatend met de verantwoordelijkheid om onszelf aan de wereld te presenteren. Hoe gaan we ons nu beschrijven? Wie gaat geloven dat we 13 jaar later nog steeds niet de “valse messianismen hebben gedemystificeerd”? Hoe leggen we uit dat de angst ons heeft lam geslagen en wij hopen dat anderen voor ons brullen?
Naar de bioscoop gaan om films met een 16+ rating te kijken, een biertje kopen in een bar of als werknemer aangenomen worden, zijn enkele bewijzen dat iemand meerderjarig is geworden. Als je veertien of vijftien jaar oud bent, brengt iedere dag die voorbij gaat ons een stap dichterbij het moment waar we zo naar hunkeren, de dag dat we officieel volwassen zijn. We naderen dan een tijdsmarkering waarover we tegen onze vrienden opscheppen, terwijl we onze ouders erop wijzen dat we niet meer zo klein zijn en dat ze ons niet meer als een kind kunnen behandelen. Maar het zijn andere emoties als je zelf zestien wordt, dan wanneer onze kinderen de leeftijd van wettelijke verantwoordelijkheid bereiken. Het is precies op dat moment dat we ons realiseren hoe weinig volwassen ze fysiek en mentaal nog zijn om ze met een dergelijke verantwoordelijkheid op te zadelen.
Ik speel met deze gedachten omdat mijn zoon in augustus meerderjarig zal worden. Hij zal dan – volgens de wet – oud genoeg zijn om alcohol te drinken, om opgeroepen te worden voor het leger en om in de gevangenis te worden gegooid. Vanaf dit moment zal geen enkele schade die hem wordt aangedaan door het strafrecht beoordeeld worden als gericht tegen een minderjarige. Hij zou kunnen sterven en moorden in een oorlog, een optie die niet eens zo bizar is in het hedendaagse Cuba. Alle adolescenten, die in het moeilijke jaar 1995 zijn geboren, passeren in 2011 de grens tussen kindertijd en volwassenheid. En ik zeg, zonder te bemoederen, dat zij nog te jong en te fragiel zijn om de zware last van de volwassenheid op zich te nemen op grond van wetten die niet corresponderen met internationale normen.
Een paar weken geleden hebben de Verenigde Naties aan de Cubaanse autoriteiten gevraagd om de meerderjarige leeftijd op te schroeven naar achttien jaar. Er is echter weinig hoop dat deze wijziging wordt doorgevoerd. Als dat zou gebeuren, zouden al die meiden tussen de zestien en zeventien jaar oud, die hun lichaam verkopen aan toeristen, opeens minderjarigen zijn die gevangen zitten in de kinderprostitutie. Het verlengen van het kind-zijn zou de overheid tevens een groot aantal gemakkelijk te manipuleren stemmen kosten in de voorgekookte lokale verkiezingen. En natuurlijk zou de tijdelijke verlenging van de voogdij van de ouders over hun ten koste gaan van de zeggenschap van de staat over het leven van deze jonge inwoners.
Nu ik meer dan twee keer de noodzakelijke leeftijd bereikt om een jongerenpas in te kunnen ruilen voor een identiteitsbewijs, ben ik me ervan bewust dat ze een paar jaar van me hebben gestolen; dat een onjuiste wetgeving een verantwoordelijkheid op mijn schouders legde waarvoor ik niet het benodigde onderscheidingsvermogen had om deze aan te nemen. Toen genoot ik ervan alsof het een vrijbrief was, nu besef ik dat ik een wettelijke bescherming verloor waar ik wel recht op had.
Eliseo Alberto Diego, Lichi voor vrienden, praat alsof hij schrijft, verhaalt de dingen van alledag alsof hij een literair werk componeert. Ik herinner me middagen bij hem thuis in de wijk Vedado in Havana, waarop hij ons anekdotes vertelde waarvan we nooit wisten of ze helemaal waren verzonnen of dat er mogelijk een miligrammetje waarheid in zat. Want deze man met zijn gulle lach is een rasverteller. Zijn vrienden en bekenden zijn zijn ‘oren’ geworden, waar hij de fictie uittestte die hij daarna zou toevertrouwen aan de pagina’s van zijn boeken. Zo zijn we – tot ons eigen oneindige plezier – proefkonijnen geworden voor zijn werken.
Toen de meester der verzinselen ons vertelde dat hij een niertransplantatie moest ondergaan, dachten we daarom in eerste instantie dat het om een van zijn poëtische kunsten ging. Hij was toen al half Cubaans, half Mexicaans, half dichter en half romanschrijver, en nu – zo vermoedden we – wilde hij ons doen geloven dat hij bestond uit biologisch materiaal van verschillende personen. Het leek, met een gevoel van wantrouwen, zijn nieuwste bedenksel. Maar nee, hij sprak niet over een personage als beschreven in “Esther en alguna parte” (Esther ergens) of “La eternidad por fin comienza un lunes” (De eeuwigheid begint maandag eindelijk), maar over zichzelf. Zijn lichaam schreef voor hem het meest aangrijpende verhaal uit zijn oeuvre.
Ik herinner me dat mijn man Reinaldo hem een van zijn nieren aanbood, maar Lichi wilde hem niet geloven of stond niet toe dat zijn oude strijdmakker een nier af zou staan. Gisteravond bereikte ons het bericht dat zijn lichaam nu een deel herbergt van een Mexicaanse jonge vrouw die was verongelukt. De solidariteit van een familie, het lange – niet altijd even geduldige – wachten door de zoon van de grote Eliseo en de wensen van zijn vrienden hebben zich verenigd om een begin te maken aan een gelukkig einde van dit avontuur. Als hij ons nu komt trakteren op zijn verhalen, zullen we hem ontegenzeggelijk iets meer geloven. Want Lichi, de talentvolle verteller van onze middagen in Havana, is wel heel dicht bij een ervaring geweest waar alleen hij ons over kan vertellen.
Naar aanleiding van het voorstel tot wetswijziging dat in het Amerikaanse Congres is ingediend om reizen en geldzendingen naar Cuba te beperken.
We beleefden een donker 1992 en deze dochter van een machinist zonder trein had besloten niet verder te gaan met haar middelbare schoolopleiding. Ik stond vroeg op en zei het tegen mijn moeder. Ze hief haar handen ten hemel, haar kreten weerklonken door het hele huis en de hond blafte van schrik. “Ik ga er niet meer heen, mammie, ik ga niet meer”, besloot ik stellig en ging weer naar bed. Mijn enige paar schoenen, dat ik eens van een vriendin geërfd had toen er al enorme gaten in de zolen zaten, was doorgesleten. Ik had geleerd er zo op te lopen dat ik mijn voeten dicht bij de grond hield, zodat de gaten niet zouden opvallen, maar toen we les in Militaire Training kregen kon ik er weinig aan doen om ze te verbergen. Daar moest ik plat op de buik over een terrein kruipen dat – zogenaamd – onder vijandelijk vuur lag. En dan daalden de projectielen op mij neer, niet van het imperialisme, maar van de grapjes, de wrede plagerijen van hen die beter schoeisel hadden.
Gedurende verscheidene dagen drongen mijn ouders er bij mij met allerlei argumenten op aan om door te gaan. Hoe kan je nu je hoge cijfers, je opofferingen voor de studie, zomaar overboord gooien alleen vanwege zo’n “kleinigheid”! zeiden ze steeds weer tegen me. Maar als 16-jarige verkoos ik liever het missen van een diploma dan het ondergaan van nieuwe beschimpingen. Mijn besluit was genomen. Mijn moeder rende naar het huis van een buurvrouw. Ze was de hele avond bezig het nummer te draaien van enkele tantes van mijn vader die aan die andere door de staatspers zo gedemoniseerde oever woonden. Een paar weken later kwam het pakje. Behalve soepblokjes en een zalf tegen reumatische pijnen, zat er een paar spiksplinternieuwe, witte tennisschoenen in. De volgende dag keerde ik terug naar mijn 11de klas van mijn school.
Het is zeker waar, dat door de economische steun vanuit het buitenland veel Cubanen zich in een zeepbel van apathie en politieke desinteresse hebben teruggetrokken, maar het heeft anderen ook de mogelijkheid gegeven te overleven en te groeien. Zonder die hulp die iemand me ooit vanuit Florida heeft gestuurd, zou mijn leven totaal anders zijn verlopen. Ik zou mijn middelbare school niet hebben afgemaakt, waarschijnlijk was ik tijdens de ‘vlottencrisis’ – op een houten deur – uitgevaren of was ik door een gebrek aan vooruitzichten weggezonken in conformisme. Maar met die hulp is het me gelukt om door te gaan. Bij mijn afstuderen van de universiteit droeg ik nog steeds die reddende schoenen.
Juist nu hebben duizenden jongeren, zelfstandig ondernemers, ouderen, scholieren en baby’s het nodig dat de geldstroom tussen de families in ballingschap en op het eiland groeit, dat deze geldstroom niet wordt onderbroken. In veel Cubaanse huishoudens is de persoonlijke ontwikkeling van duizenden individuen afhankelijk van het voortbestaan van deze ‘luchtbrug’ en hun toekomst als burgers ligt in de handen die hen in solidariteit worden toegestoken vanuit het buitenland.
Afbeelding overgenomen van: Ben, een Cubaan in Europa. http://bendeasis.blogspot.com
Nieuwtjes hebben meerdere levens op dit eiland. Eerst gonzen ze rond, maar worden niet gepubliceerd. Daarna worden ze laconiek bekendgemaakt in een of ander landelijk medium en met vertraging voedt hun echo opnieuw de fantasie van het volk. Zo verging het ook met de recente informatie over de versoepeling van de regels op de huizenmarkt. Maandenlang – misschien wel jaren – deed het gerucht de ronde dat men op het punt stond om een nieuwe huizenwet goed te keuren, dat de absurditeiten van de vastgoedmarkt niet langer zouden voortduren. Maar pas toen het Partijcongres hierover sprak in haar “Richtlijn 297”, konden we enig gewicht toekennen aan al die roddels. Hoewel rijkelijk laat, heeft de maatregel geleid tot een uitroep van verlichting, maar het heeft ook onze argwaan aan het licht gebracht.
Vreemd genoeg stellen de meeste mensen met wie ik het thema bespreek mij telkens dezelfde vraag. “Kan iemand zijn huis verkopen voordat hij emigreert?”, vraagt iedereen, alsof de vastgoedmarkt slechts een klein stapje is in het vervullen van een langgekoesterde droom om te vertrekken. Op dit moment worden de eigendommen van iemand die definitief zijn biezen pakt geconfisqueerd. Alleen als diegene meer dan tien jaar onder hetzelfde dak woonde met een familielid, krijgt deze laatste de kans om daar te blijven wonen, maar moet dan wel opnieuw een bedrag ter hoogte van de waarde van huis afdragen aan Stadsherstel. Gedwongen uitzettingen van bewoners die zich niet aan deze regel houden zijn een alledaags schouwspel geworden in deze stad. Nu is de hamvraag of de eigenaar van een huis de mogelijkheid krijgt om dit te verkopen om het geld van de verkoop te gebruiken voor de verhuizing naar het buitenland. Hoeveel tijd moet verstrijken tussen de commerciële transactie en het achterlaten van het nationale grondgebied?
Men heeft ons zo vaak voor de gek gehouden, dat mensen zich liever schuilen achter scepticisme en de overtuiging dat de nieuwe maatregelen vol zullen staan van beperkingen. Ik ben verbazingwekkend optimistisch tussen al die achterdocht. Ik beargumenteer jegens de twijfelaars dat de regering verplicht is om de markt open te stellen, dat ze anders wordt ingehaald door de realiteit, maar zij gaan liever door met hun leven zonder zich illusies te maken. Ondanks het wantrouwen koesteren velen de gedachte aan een verkoop van de muren waartussen zij wonen in ruil voor een vliegticket en een visum dat hen weghaalt uit Cuba. Verkopen en vertrekken, onderdak hier verruilen voor een dak ergens anders, de kleine erfenis gebruiken om te ontsnappen. En dat alles voordat de wapperende vlag van de onroerend goedmarkt weer slap gaat hangen, voordat de stap terug wordt gezet.
Al meerdere dagen proberen miljoenen mensen te ontdekken wat er gebeurt in de ziekenhuiszaal waar Hugo Chávez ligt. Meer nog dan alleen de fysieke veerkracht van een individu, wordt daar een deel van de koers van dit eiland bepaald, de koers van een compleet regionaal project dat meerdere landen aangaat. Een dergelijk thema overstijgt derhalve de ernst van een tumor, een betreurenswaardige en trieste ziekte voor welk individu dan ook, en wordt zo een ware politieke commotie. De toegepaste chirurgie heeft niet alleen in het vlees gesneden van de bewoner van het Miraflores paleis, maar toont ons een wond waardoor we de zwakte van zijn werk kunnen zien. In Venezuela is op dit moment een politiek steekspel aan de gang, waarbij zelf over de opvolging wordt gesproken. Ook op het Plein van de Revolutie in Havana is de bezorgdheid intens.
Voor de Cubaanse regering vormt de blakende gezondheid van Hugo Chávez een garantie om de economische hervormingen door te kunnen voeren op een ritme en tempo die haar controle laat houden. De 100.000 vaten olie, die dagelijks door het Zuid-Amerikaanse land worden geleverd, ondersteunen het proces van de “perfectionering” van het systeem die Raúl Castro voorstaat en gunnen hem wat tijd ten opzichte van de ontevreden burgers en de internationale druk. Goed zorgen voor Chávez staat voor Raúl Castro dus gelijk aan het behouden van zijn presidentiële betrekking; een eventuele dood, zou zijn eigen val kunnen versnellen. De laatste weken heeft de hoogste echelon van dit eiland opnieuw in de duizelingwekkende afgrond gekeken waarin wij zijn gestort door de ontmanteling van de Sovjet-Unie. Hij voelt dat hij het wegvallen van nog een geallieerde mogendheid niet zal overleven. De vitaliteit van de Venezolaanse leider is nauw verbonden met zijn toekomst, met het wegvallen van Chávez zal hij snel draagvlak verliezen.
We zijn ook getuige van een waarachtige les in de inconsistentie van de persoonlijke politiek, die hopelijk maakt dat diegenen zich nogmaals bedenken, die zich gecommitteerd hebben aan de verticale structuur rond Chavez. Zonder de opzwepende spreker op internationale fora, zonder de leider die bijna wekelijks verbaal de aanval zoekt, lijkt de hele regio opeens meer in zichzelf gekeerd, meer gecentreerd. Het is alsof in een meerkoppig koor plotseling de bariton wegvalt die iedereen overstemde. Toch moeten we niet uitsluiten dat de toespraken onder de zon terug zullen keren, de lange preken om aan te tonen dat hij weer helemaal hersteld is, de uren voor de camera van zijn programma “Hallo, President” zodat iedereen zijn blakende gezondheid kan zien. Hugo Chávez zal zich opnieuw de rol van onoverwinnelijke willen aanmeten, maar er is iets onherstelbaar veranderd voor hem. Iets wat noch de oppositie noch de Cubaanse adviseurs die hem omringen noch de exegeten die zijn ideeën versterken hebben zien aankomen. Iets dat samenhangt met de kwetsbare menselijke compositie, met een klein detail van zijn anatomie dat nog langer weigert mee te doen met zijn zo pompeuze campagnes.
Voetnoot van de vertalers:
* het sterrenbeeld Kreeft en de ziekte kanker worden in het Spaans aangeduid met hetzelfde woord: “Cancer”.
Wij zijn altijd op zoek naar enthousiaste mensen. Als je graag mee wilt werken aan de vertalingen van de bijdragen van Yoani, stuur ons dan een bericht op geny.nl@gmail.com.
We zien jouw bericht graag en met interesse tegemoet!