Ze heeft een groot huis met vijf slaapkamers dat op instorten staat. Ze kreeg het in de jaren zeventig toen de familie waarvoor ze werkte naar het buitenland vertrok. In het begin liep ze elke dag door alle slaapkamers en de patio. Ze raakte de marmeren leuning van de trap naar de tweede verdieping zachtjes aan en liet als spel de badkuipen van alle drie de badkamers vollopen om zich ervan te doordringen dat dit neoklassieke huis nu van haar was. De vreugde duurde een tijdje, tot de eerste gloeilampen doorbranden, de verf van de muur kwam en het onkruid welig begon te tieren. Ze vond een baan als schoonmaakster in een school. Maar zelfs met zes dergelijke salarissen zou het haar niet lukken de oude glans van de villa te behouden. Het huis werd in haar beleving elke dag groter, ongastvrijer.
Wel duizend keer heeft de dame in dit verhaal erover gedacht het huis te verkopen dat ze had gekregen van haar vroegere werkgevers, maar ze wilde niets doen dat tegen de wet was. Decennialang was het in Cuba in de praktijk verboden om onroerend goed te verkopen. Er kon alleen van woning worden geruild, een concept dat in de volksmond “permuta” werd genoemd. Om ook deze ruilhandel te reguleren werden er vele regels, decreten en beperkingen ingevoerd waardoor verhuizen een zeer ingewikkelde en lastige aangelegenheid werd. Een almachtige woningstichting zorgde ervoor dat er een waaier van absurde voorwaarden ontstond. Met zoveel voorwaarden duurden procedures al gauw langer dan een jaar. En voordat gezinnen hun nieuwe huis konden betrekken, waren ze afgemat van het invullen van formulieren, het inhuren van advocaten en het omkopen van inspecteurs.
Al deze ergernissen voedden de hoop dat tijdens het Zesde Congres van de Communistische Partij de ban op de vastgoedmarkt zou worden opgeheven. Toen eindelijk bekend werd gemaakt dat kopen en verkopen van woningen mogelijk zou worden gemaakt en dat dit alleen in de wet nog moest worden aangepast, slaakten een paar honderdduizend Cubanen een zucht van verlichting. Op het moment dat het nieuws werd aangekondigd, zat de dame met het grote huis voor de televisie, buiten bereik van een lekkage die van het plafond in het midden van de kamer druppelde. Ze keek om zich heen naar de pilaren met de versieringen, de grote deuren van mahoniehout – aangetast door vocht – en de marmeren trap waar ze de leuning van had verwijderd om te verkopen. Eindelijk kon ze een bord ophangen met “Te koop – Huis met vijf slaapkamers en dringend reparatiewerk. Zoek eenkamerwoning, in een willekeurige wijk”.
Ze lopen in groepen door de wijken van Havana. Honderden Chinese studenten die in Cuba Spaans leren en die kleur toevoegen aan een realiteit waar andere buitenlanders nauwelijks een paar weken als toerist in rondstappen. Dankzij hen, zijn Aziatische ogen tijdelijk weer onderdeel van het straatbeeld van de stad, waar ze begin twintigste eeuw zo gebruikelijk waren, net als die Oosterse manier van lopen die de indruk wekt alsof ze de grond niet raken. Ze hangen rond in het China Town van Havana, rond de Calle Zanja, giechelend voor de deur van restaurantjes met papieren lantaarns en rode gordijnen waar eerder Creoolse of Italiaanse gerechten worden geserveerd dan gerechten met spinazie en noodles.
Op een morgen liep ik enkelen van hen tegen het lijf, verdwaald in de buurt van het Centraal Station. Ze hadden lege tassen bij zich, vermoeide gezichten en een slentergang. Een van de meisjes vroeg mij, na haar kleine woordenboek te hebben geconsulteerd, waar ze sla konden kopen. Het was zo’n hete maand waarin het enige groen in de groenteschappen nog komkommers zijn. Toch waren ze daar, wachtend op een agrarisch mirakel, op verse blaadjes sla op hun bord. Ik legde hen uit dat het erg heet was en dat men ternauwernood groente kon oogsten op overdekte plekken, dat een tekort aan verpakkingsmateriaal de aanvoer naar de stad verder verhinderde en dat groente zeer duur is als het, ondanks alles, toch in de schappen lag.
Na enkele minuten werden de spleetogen rond van verbazing over mijn vreemde uitleg. “Krop sla, krop sla!”, drongen ze aan en één van hen vertaalde het woord in alle talen die ze machtig was: “lettuce, laitue, Kopfsalat, alfase…”. Ik glimlachte, ik had het woord echt goed begrepen – bevestigde ik – maar wist eenvoudigweg niet waar men groente zou kunnen kopen. Het was duidelijk dat ze me niet geloofden. “Ga naar de Plaza de Cuatro Caminos, misschien dat daar nog wat te koop is” was mijn laatste ingeving om hun hoop niet helemaal weg te nemen. En daar gingen ze, met vermoeide tred, met hun lege boodschappentassen die wapperden in de wind, met hun enigszins verbleekte Oriëntaalse elegantie door het gebrek aan groente om hen te verkwikken.
“In de zwoele warmte van de 214…”, zo begon een liedje van Silvio Rodríguez dat ik mijn naïeve adolescentie beluisterde als een raadsel. Tot het moment dat een vriend met wat meer levenservaring me zonder blikken of blozen wees op de werkelijke betekenis van de tekst. Het ging simpelweg over het adres van een bekend motel in Havana, waar stelletjes elkaar ontmoeten voor een vluggertje in een land dat toen al in de greep was van een tekort aan huizen. Buiten wachtend bij een van deze plekken kon je de vrouwen hun gezicht zien bedekken met een sjaal en een zonnebril, terwijl de mannen de conciërge betaalden en de sleutel van de kamer in ontvangst namen. Een ferme klop op de deur betekende dat de tijd erop zat en dat anderen naar binnen wilden.
De motels van Havana, het zijn de theaters van zoveel ontrouw, van plotselinge liefdes, maar ook van ontelbare ontmoetingen die later leidden tot huwelijken met meerdere kinderen. Deze plekken beleefden hun tijden van bloei, hun lange tijden van stigmatisering en uiteindelijk hun harde val. De krappe motelkamers van de passie werden omgebouwd tot woningen voor de slachtoffers van aardbevingen. En als je het zo zegt, klinkt dat ook rechtvaardig: het plezierige vervangen voor het noodzakelijke, de vleselijke lust voor de dwingende noodzaak van een familie. Het ene na het andere motel in de stad werd gesloten voor het publiek en in hun kleine kamers installeerden zich mensen die hun huis waren verloren door de kracht van een orkaan of aan de vlammen van het vuur. De informele liefde verplaatste zich vervolgens naar de bosjes, de donkere straathoeken of, met gedempte stem, naar dezelfde kamer waar oma lag te slapen. Voor diegenen die beschikten over harde valuta was het mogelijk om voor 5 CUC een kamer te huren bij een particulier voor een paar uurtjes.
Tegenwoordig, als je ’s avonds laat door het Parque de la Fraternidad loopt, is het niet ongewoon om in het donker gekreun en het gedempte geluid van tegen elkaar schurende kleren te horen. Het merendeel van deze mensen zijn van mijn leeftijd of jonger, en hebben nooit een eigen dak gehad waaronder ze hun partner konden strelen of een eigen bed waarin ze elkaar in alle rust konden omhelzen. Zij weten niet wat het is om in een stad te leven waar door neon verlichte motels zijn, met krappe kamertjes waar men ten minste een uur de liefde kan bedrijven. Niemand van hen kan het oude lied van die troubadour begrijpen en namen als Hotel Venus, 11 y 24, La Campiña of Las Casitasde Ayestarán zullen bij hen geen herinneringen van plezier oproepen.
Het Capitool, rum, salsamuziek op iedere hoek van de straat, auto’s die eruit zien als verzamelobjecten maar onder de carrosserie uit elkaar vallen. Dit alles en meer is te zien in de aflevering van “Spanjaarden, waar ook ter wereld”, geschoten hier in Havana. Vijftig minuten met geschiedenis van immigranten uit Asturië, Galicië of Andalusië die hun dromen hebben meegenomen vanaf de andere kant van de Atlantische Oceaan. Alles ziet er mooi en blauw uit, met een beetje zoutaanslag, maar ergens klopt er iets niet.
Terwijl ik naar de serie kijk bekruipt mij het gevoel dat men het over een ander land heeft, een verre dimensie in sepiakleuren. De levensverhalen van de zeven hoofdpersonen vinden plaats in een wereld die zeer afwijkt van de alledaagse werkelijkheid die ik ken. En hoewel ik – om te kalmeren – tegen mezelf blijf herhalen, dat de serie gaat over Spanjaarden die zijn verspreid over de wereldbol en niet over Cubanen verdwaald in hun eigen geografie, kan ik een bedrogen gevoel niet onderdrukken als de aftiteling in beeld verschijnt.
De programmamakers verdoezelen handig het detail dat de geïnterviewden bepaalde voorrechten hebben die onbereikbaar zijn voor de lokale bevolking. Een avond doorbrengen in de Bodeguita del Medio of bij het cabaret van Tropicana, een kantoor huren in het Bacardi gebouw, leiding geven aan een cosmetica- of tabaksproducent, dineren met kreeft en wijn: ze vergeten gemakshalve te melden, dat dit allemaal privileges zijn die – vrijwel exclusief – toegankelijk zijn voor de buitenlandse portemonnee. Om het helemaal niet te hebben over het heerlijke zeiltochtje in een van de laatste scènes, wettelijk verboden voor de elf miljoen inwoners. Het moderne en vermakelijke programma mist dus enige uitleg over de ongelijkheid, wat informatie over de gapende kloof tussen de Spanjaarden die van heinde en verre hierheen komen en de Cubanen die hier werden geboren.
And now, the end is near
and so I face the final curtain…
We kunnen nauwelijks vaarwel zeggen door simpelweg een kort briefje op de tafel achter te laten of met een telefoontje waarmee we definitief afscheid nemen. Bij de voorbereidingen om het land te verlaten, een liefdesrelatie of het leven zelf te beëindigen, zijn er mensen die pretenderen de kleinste details vast te leggen, daarmee de grenzen tracerend die de achterblijvers zullen dwingen hun koers te volgen. Sommigen slaan de deur dicht als ze weggaan en anderen eisen voor het vertrek het eerbetoon op dat ze denken te verdienen. Er zijn er die hun bezittingen eerlijk verdelen en ook personen met zoveel macht dat ze de grondwet van een land veranderen opdat niemand hun werk ongedaan kan maken als ze er niet meer zijn.
De voorbereidingen voor het zesde congres van de Cubaanse Communistische Partij (PCC) en zijn zittingen in het Palacio de las Convenciones waren als een grote, publieke rouwmis voor Fidel Castro. Het podium van zijn afscheid, een nauwkeurig geplande ceremonie, opgeëist door hemzelf en – zonder zuinig te zijn met staatsmiddelen – uitgevoerd door zijn jongere broer. In de excessieve organisatie van het militair defilé van 16 april, was al te merken dat men de intentie had om “alle registers open te trekken” bij het laatste eerbetoon aan iemand die zelf niet op de tribune aanwezig kon zijn. Het was duidelijk dat, bij het bekend maken van de namen van degenen die de hoogste posities binnen de PCC zouden bekleden, de naam van de man die de koers van dit land al bijna vijftig jaar bepaalt niet genoemd zou worden. Desondanks schoof hij aan bij de belangrijkste tafel van dit evenement om met zijn aanwezigheid de machtsoverdracht aan Raúl Castro te bekrachtigen. Het was alsof hij, in levende lijve, naar het oplezen van zijn eigen testament kwam luisteren.
Daarop volgde de staande ovatie, tranen van één of andere vrouwelijke gedelegeerde van de Partij en de zinnen van eeuwige trouw aan de bejaarde met zijn bijna witte baard. Kijkend naar het televisiescherm, voelde dit voor sommigen van ons als het kraken van gedroogde bloemen of het geluid van scheppen aarde. Afgewacht moet worden of de President- Generaal de zware erfenis kan torsen die hij heeft ontvangen, of dat hij onder de toeziende blik van zijn Grote Broer zal prefereren hem niet tegen te spreken met fundamentele hervormingen. De toekomst zal uitwijzen hoe definitief dit afscheid van Fidel Castro van het politieke leven echt is en of zijn vervanger ervoor kiest om door te gaan ons te bedriegen of om hem te ontkennen.
Lachen blijft een effectieve remedie tegen de dagelijkse uitdagingen. Vandaar dat we, op dit eiland, onze lippen in een glimlach plooien, eerder als zelftherapie dan uit vrolijkheid. Dan maken de toeristen foto’s van ons en zeggen ze tegen elkaar dat dit een vrolijk volk is dat, ondanks alle problemen, het gevoel van humor niet verloren heeft. Ai, de toeristen en hun uitleg! Ze reizen de wereld rond, met een polaroid van die brede lach op ons gezicht die voorafging aan een gebaar van afschuw of met het beeld voor ogen van de tevredenheid die ons overviel omdat we – na een jaar van inspanningen – een paar afgestelde brillenglazen voor ons kind wisten te regelen.
Ook kan uitbundig lachen een preventief medicijn zijn om toekomstige teleurstellingen te voorkomen. Misschien is dit de reden, dat elke keer, als ik iemand vraag over de mogelijke hervormingen die wellicht uit het zesde congres van de Communistische Partij voortkomen, diegene me met gegiechel antwoordt, met een “hehehe” op ironische toon. In de tweede akte haalt degene vervolgens zijn schouders op en komt met een uitdrukking, als “Nou ja, je moet natuurlijk geen illusies koesteren…hooguit zullen ze de mogelijkheden tot het aanschaffen van huizen en auto’s verruimen“. De spreker eindigt de woorden met een nieuwe raadselachtige blik van plezier die mij nog meer in verwarring brengt. Het is lastig om te weten te komen of de meerderheid van mijn landgenoten liever heeft dat er vandaag daadwerkelijk veranderingen worden goedgekeurd of dat het partijcongres uitloopt op een fiasco waarmee wordt aangetoond dat het voor het systeem onmogelijk is zichzelf te hervormen.
Hoewel de verwachtingen de laatste maanden aanzienlijk naar beneden zijn bijgesteld, blijft er toch nog iets van over, vooral onder de materieel meest berooiden en de ideologische hardliners. Het beeld van een pragmatische Raúl Castro heeft plaats gemaakt voor dat van een aarzelend bestuur, gevangen in een conjunctuur die hem te machtig is. Het congres, waarvan enkelen hervormingen verwachtten, is te lang uitgebleven. Daarmee ging veel van de hoop verloren die hij eens opwekte. Achter de raadselachtige glimlach, van taxichauffeurs, pizzaverkopers, studenten en zelfs van de militanten van de Partij, gaat nu een minachting verborgen van hen die weten hoe weinig de zaken zullen veranderen en die de stille spot gebruiken – als vaccinatie – om zichzelf bij voorbaat te beschermen tegen deze frustratie.
De eerste klap in haar leven kreeg ze als straf voor het uiten van een obsceniteit in aanwezigheid van oma; dezelfde zin die ze al duizend keer op straat en school had geroepen, maar tot dat moment nooit thuis had durven uitspreken. De oorvijg kwam plotseling, raakte haar vol in het gezicht en liet een pijnlijke afdruk en een enorme schaamte achter. Ze was erg kwaad op de bejaarde vrouw, omdat schelden in de woongemeenschap waar zij leefden een element van overleven was, de linguïstische stempel die iedereen meekreeg door daar te wonen.
De draai om de oren was een pijnlijk, maar effectief geneesmiddel. In haar verdere jeugd kwamen er nauwelijks nog doornige “bloemen” van vulgariteit uit haar mond. Zelfs vandaag de dag bloost ze – met regelmaat – wanneer iemand zich, midden in een gesprek en zonder reden, vergrijpt aan het lexicon van vieze woorden. Ze is bang dat haar Spaanse oma op ieder moment kan interrumperen om haar een klap te verkopen en haar voor het oog van haar vrienden verwijtend toe te spreken, omdat haar mond “viezer is dan een toilet!”
Afgelopen zaterdag schreeuwde een militair peloton, op een centraal gelegen avenue aan het oefenen voor de eerstvolgende parade, een leus die het midden hield tussen macho kazernetaal en proza. Het was nog niet eens negen uur ’s ochtends, de kinderen uit de wijk waren nog niet naar school, maar thuis of in het park. De soldaten passeerden energiek met hun martiale ritme en een rode vlag:
“De yankees dragen rokken,
Maar onze broek zit als gegoten,
En onze commandant
heeft de allergrootste kl…n”
Haar zoon keek haar geïrriteerd aan, met een blik die zij hem toewierp als hij iets onfatsoenlijks zei, terwijl zelfs gewapende strijdkrachten zich daaraan bezondigden. Onwillekeurig dacht ze terug aan de knokige handen van haar grootmoeder en hoe de regels van haar woongemeenschap zich uiteindelijk hadden uitgespreid over het hele land.
Net toen je vergeten was hoe je een baby leert lopen, zette je een blog op de wereld. Een website die je zijn eerste woordjes moest leren spellen, die je moest waarschuwen voor de gevaren en een wereld moest tonen die jezelf niet eens bevat. Je dacht dat je geen ander kind meer zou krijgen, vanwege de woningnood, de schaarste en het civiele – en stilzwijgende – protest van je lege baarmoeder, maar toen overkwam het je, dat je met de alchemie van de kilobytes ging spelen. De bevalling was pijnlijk, langdurig: het duurde niet enkele uren, maar vier jaren. Met deze geboorte kwam een niet te stelpen bloeding op gang, die al je tijd en energie opslorpt. Ook verschenen vermeende artsen, die je vroegen: Waarom heb je je op dit alles gestort? Na een gewaagde zwangerschap werd het schepsel geboren met behulp van een keizersnede en ze brachten enkele pijnlijke chirurgische hechtingen aan rond je leven. Hoewel je nog steeds bikini’s kunt dragen, kan je niet langer een bioscoop bezoeken, deelnemen aan conferenties, naar het buitenland afreizen of de stad verlaten zonder de constante achtervolging van die schaduwen die gelijk met de geboorte arriveerden.
Je bent de moeder van een vreemde en nieuwe entiteit, in een samenleving waar afwijkingen met argusogen wordt bekeken. Je wilt graag aan je familieleden en vrienden uitleggen dat je was ontploft als je er niet in was geslaagd dit autonome wezen – dat nu je virtuele dagboek is – op de wereld te zetten. Toch willen velen je niet geloven. Toegeven dat het auteurschap van deze vrucht aan jouw schoot is ontsproten, zou gelijkstaan aan het bekennen dat ze zelf duizend en één keer abortus hebben gepleegd, uit angst om openbaar gebrandmerkt te worden. Er rest je niets anders dan je baby aan te kleden, deze te zien groeien en te wennen aan zijn gezicht met al zijn glimlachen en littekens, te luisteren naar je instinct en te beseffen dat deze spruit, die jij op de wereld hebt gezet, hetgeen is waar je altijd al naar verlangde.
Je ziet hem op een dag de wijde wereld intrekken, met de angst of hij daar het cynisme zal overleven, de beschuldigingen en de spot. Echter, in plaats van uit verontrusting terug te keren, vindt hij aansluiting bij andere gelijkdenkenden, bij tientallen gestigmatiseerde en gedemoniseerde blogs, aangekleed door diegenen die – zoals jij – het niet konden laten om door te zetten. Zodat nu de zoon-blog zijn verjaardagstaart verdeelt en je een knipoogje geeft. Je hebt hem zijn adem geschonken, hem laten vliegen door cyberspace en hem verspreid via het internet. Maar zelfs als verwekker heb je geen controle over zijn leven. Hij behoort al toe aan de alternatieve blogosfeer van Cuba en het is niet nodig dat hij die pijnlijke contracties, die je de 9 april 2007 voelde, op zijn rug meedraagt.
De echo van het geschreeuw bereikt mijn balkon, in een ritme dat in eerste instantie wordt bepaald door voeten en wordt begeleid door kelen. Over minder dan twee weken vindt de geplande grote optocht plaats op het Plein van de Revolutie en alle buurtbewoners in de wijde omtrek zijn al uitgeput van zoveel voorbereidingen. Afgesloten straten, politie die het verkeer tegenhoudt en pelotons die de avenues en de trottoirs doen schudden, waar eigenlijk auto’s, mensen, kinderwagens zouden moeten zijn.
Ik klim op het dak om de choreografie van de oorlog in volle glorie te aanschouwen. De zaken staan er slecht voor als het congres van de Communistische Partij dit soort parades van bajonetten gaat organiseren. Als men echt de indruk van hervormingen zou willen wekken, zouden deze olijfgroene uniformen juist niet getoond worden gedurende de zaterdag van 16 april. Hoe aangenaam zou het zijn als op deze dag een optocht van resultaten zou worden gehouden in plaats van eentje van angst! Laten ze een lange rij tonen van wat we zouden kunnen bereiken, niet een overdonderende demonstratie van een militaire macht die we niet eens hebben! Kunt u het zich voorstellen? De Paseo avenue en haar omgeving die onze dromen omarmt, in plaats van het koude metaal van de AK geweren?
Dit zou de optocht kunnen zijn van alle zaken waar we naar verlangen, een vreugdefestival waar niemand verplicht hoeft te worden om eraan mee te doen. Geen schooldirecteur zou leerlingen hoeven rekruteren om in de volle zon te lopen en de tribune te salueren en de arbeiders zouden voelen dat hun afwezigheid niet zou resulteren in een kruis in hun personeelsdossier. Een echte volksparade zou niet in één dag alle middelen verkwisten die de staat in een paar maanden opbrengt. Het zou eerder spontaan beginnen, het zou de mensen met een lach naar buiten halen en ons niet achterlaten met dit gevoel van bezorgdheid dat deze georkestreerde kreten ons vandaag bezorgen.
Wij zijn altijd op zoek naar enthousiaste mensen. Als je graag mee wilt werken aan de vertalingen van de bijdragen van Yoani, stuur ons dan een bericht op geny.nl@gmail.com.
We zien jouw bericht graag en met interesse tegemoet!