Archive for Februar, 2011

Ik sta samen met een buurvrouw in de lift, we wisselen wat algemeenheden uit, over het weer, over de vraag of er eieren te koop zijn in de buurtwinkel. Wij zijn bij de zesde verdieping, wanneer zij, beschermd door de tijdelijke privacy van de cabine, me zegt dat ze dankzij mij naar een Colombiaanse soap heeft kunnen kijken. Ik begrijp er niets van. Welk verband bestaat er tussen deze sceptische blogger en een dramatische soap opera die via het beeldscherm mensen tot tranen weet te beroeren? Maar de vrouw houdt vol. Met nog vier verdiepingen te gaan voordat we de begane grond bereiken, denk ik aan de scripts van de oude Félix B. Cañet.

Dan hoor ik het meest onwaarschijnlijke verband. Terwijl het schermpje van de lift op 3 springt, vertelt ze me dat haar angst voor het donkere parkje naast ons gebouw een drempel was om naar een vriendin te gaan waar elke dag een aflevering van de soap werd vertoond, via een illegale schotelantenne. Maar nu, bevestigt ze met dankbaarheid, wordt dit stukje beton en vegetatie 24 uur per dag bewaakt. Ik hou me van de domme, maar zij benadrukt dat de agenten van Binnenlandse Zaken die rond mijn huis hangen de buurt veiliger hebben gemaakt. Ik zou liever geloven dat de schaduwen die ik vanaf mijn balkon zie fantasieën zijn van iemand die teveel fictie leest, maar de vrouw laat niet los. Ze staat niet toe dat ik wegduik achter mijn glimlach, maar bevestigt nogmaals dat ze het aan mij te danken heeft dat ze heelhuids het andere gebouw bereikt.

Onverwacht wordt ik beloond voor de horror, iemand heeft me zojuist bedankt voor mijn rol als het mikpunt van bewaking, het doelwit van veiligheidsagenten. Nooit zag ik een lichtzinnigere manier om met repressie om te gaan, maar ik lach met de buurvrouw mee. Wat moet ik anders! Om niet afstandelijk te lijken, vraag ik haar wat de rode draad is van de soap waarvan ze “dankzij mij” kan genieten. Met veel plezier vertelt ze de details. Het speelt zich af in de 18e eeuw met vluchtende slaven, dames die hun niet erkende zonen verborgen houden voor hun echtgenoten, zweepslagen die weerklinken op schouders, duistere sluipweggetjes die ’s nachts worden bewaakt door opzichters met honden.

Comments No Comments »

De sage van undercoveragenten, van mollen binnen de gelederen van oppositiegroeperingen, veroorzaken bij mij eerder gegeeuw dan verontrusting. Wanneer ze een van die “helden” op de officiële televisie tonen, heb ik het gevoel dat ik naar een televisieserie zit te kijken, waarin de personages acteurs zijn, het draaiboek is geschreven door iemand met literair talent en de scènes net zo vaak opnieuw zijn gefilmd totdat ze overtuigend lijken. De strategie van de geheime politie is al zo vaak ingezet op onze kleine Cubaanse televisieschermpjes, is te sleets geworden in onze werkelijkheid. Het idee erachter is om ons te doen geloven dat iedere vriend, elk familielid of zelfs onze eigen kinderen een soort Mata Hari zouden zijn, bereid om zonodig een verklaring tegen ons af te leggen. Het wantrouwen verandert zo in een verlammende factor.

Ik leerde Carlos Serpa Maceira kennen toen hij eens bij mij thuis kwam, omdat hij een blog wilde openen en mijn hulp daarbij inriep. Hij haalde het in zijn hoofd om Reinaldo en mij te vertellen, dat hij in het begin van de 90er jaren aan de School voor Journalistiek had gestudeerd. We vroegen hem naar een paar vrienden van ons die in die jaren dezelfde opleiding hadden gevolgd. Zijn verwarring was pijnlijk. Hij kende niet één van de namen die we hem noemden. Toen hij weg was spraken mijn man en ik over die arme drommel die een universitair diploma uit zijn duim had zitten zuigen. Ik moet bekennen dat ik dat toen niet in verband bracht met de mogelijkheid dat hij voor de staatsveiligheidsdienst werkte, maar ik bestempelde hem met een van de meest sterke kwalificaties die ik gebruik voor dat soort mensen: een pathologische leugenaar.

Twee jaar later ontving ik afgelopen zaterdag een kort sms’je van Sepa Maceira. In iets minder dan 90 tekens en met vier spellingsfouten zei hij me dat hij me dringend moest zien of dat ik hem moest bellen. Ik deed noch het één, noch het ander. Dat was het laatste lokaas dat hij voor me uitgooide, een wanhopige poging om een gesprek met mij op te nemen dat waarschijnlijk in het programma, dat nog diezelfde avond werd uitgezonden, te zien zou zijn geweest. Zijn gezicht op de tv was geen verrassing. Zijn plezier over hoe hij de Dames in het Wit en onafhankelijke journalisten bespioneerde, kwam zielig op me over. Terwijl de aftiteling van de serie nog liep, stuurde ik een kort berichtje naar zijn mobieltje: “Rome betaalt verraders, maar veracht ze”.

Ik wilde hem nog meer zeggen, maar hij heeft al genoeg aan de minachting van de kant van zijn eigen “Caesar”, dat instituut waarvoor hij werkt en dat hem beschouwt als niets meer dan één van de vele verklikkers.

Comments No Comments »

Gedwongen worden om zelfstandig de kost te verdienen is voor degenen die zijn opgegroeid in een land waar de staat – gedurende decennia – het monopolie had op werkverschaffing, als springen in de leegte. Vandaar dat, dezer dagen, werknemers worden gegrepen door angst, terwijl ze wachten op de publicatie van de gevreesde lijst van namen van degenen die hun baan zullen verliezen. Niet alleen de angsten floreren, maar ook het opportunisme en nepotisme. Het besluit wie zijn baan behoudt en wie niet loopt via de bestuurders van elk werkcentrum en er zijn nu al gevallen bekend waar niet de meest competenten aanblijven, maar degenen die het dichtst bij de directeur staan. Paradoxaal genoeg worden de banen die men wil behouden teruggezet in salaris en de afname van de actieve beroepsbevolking met een kwart betekent  – op dit moment – niet een stijging van de salarissen van degenen die blijven.

De vergaderingen voor de personeelsreducties vinden plaats in elk werkcentrum, ook in zulke gevoelige sectoren als de volksgezondheid. Daar beslist men over belangrijker zaken dan een maandsalaris of het lidmaatschap van een bepaald bedrijf of bepaalde instelling. Het is ook het moment om de ogen te openen voor een ander Cuba, waar het uitgangspunt van volledige werkgelegenheid al niet meer in de vier windrichtingen wordt verkondigd en waar werk voor eigen rekening en risico zich opent als een onherbergzame en onzekere optie. Sommigen zullen de witte jas verwisselen voor een kappersschaar of de injectiespuit voor een oven, waarin ze pizza’s en broodjes bakken. Ze zullen al doende leren dat de economische onafhankelijkheid onvermijdelijk politieke onafhankelijkheid mee brengt, ze zullen failliet gaan of floreren, ze zullen liegen in de belastingaangiften of eerlijk zeggen hoeveel ze verdiend hebben. Kortom, ze zullen een nieuw en moeilijk pad betreden, waar Papa Cuba ze niet kan ondersteunen, maar waar hij ook geen macht meer zal hebben om hen te straffen.

Comments No Comments »

De begraafplaatsen van dorpen zijn schilderachtig en triest: met kalk beschilderde graven, een zon die de hele dag op de tegels schijnt en steegjes van aangestampte aarde waar de rouwenden zich doorheen banen. Het zijn plekken waar over het algemeen alleen gesnik te horen is. Maar er is een begraafplaats in het dorpje Banes waar de afgelopen twaalf maanden ongebruikelijke kreten te horen waren. De intolerantie heeft tussen de kruizen van de graven geen schaamte gekend, noch heeft ze haar stem verlaagd op de manier waarop dat zou moeten tegenover een grafzerk. Bovendien wordt sinds enkele dagen de ingang van de begraafplaats bewaakt, alsof de levenden het territorium van de doden zouden kunnen controleren. Tientallen agenten moeten voorkomen dat vrienden en bekenden van Orlando Zapata Tamayo de begraafplaats betreden om zijn overlijden, een jaar geleden, te herdenken.

Diegenen die rondom het graf van deze metselaar patrouilleren weten donders goed dat ze hem nooit ervan zullen kunnen beschuldigen – zoals ze dat bij anderen wel hebben gedaan –lid te zijn van de oligarchie die streeft naar het heroveren van haar eigendommen. Deze mesties, die werd geboren na de overwinning van de revolutie, was geen auteur van een politiek platform en evenmin greep hij naar wapens om tegen de staat te vechten. Hij is een verontrustend symbool geworden voor diegenen die zich vastklampen – zij wel – aan de materiële bezittingen die zij verwierven met macht: zwembaden, jachten, flessen whiskey, uitpuilende bankrekeningen en grote villa’s door het hele land. Een man die opgroeide onder de ideologische indoctrinatie wist hen te ontsnappen door de poort van de dood. Hij liet ze achter aan de andere kant van de drempel, zwakker en nog meer mislukt.

Soms gaat het einde van een persoon voor altijd de geschiedenis in. Dit was ook het geval met Mohamed Bouazizi, de jonge Tunesiër die zichzelf in brand stak voor een overheidsgebouw, nadat de politie het fruit van hem had afgepakt dat hij op straat verkocht. De gevolgen van zijn offer waren compleet onvoorspelbaar, net als het daaropvolgende domino-effect dat in de Arabische wereld in werking werd gesteld. De dood van een Cubaan, op 23 februari 2010, heeft voor een ongewenst aandachtspunt op de kalender van de overheid gezorgd. Terwijl Raúl Castro zich voorbereidt op de festiviteiten ter ere van zijn drie jaar aan het roer van de natie, vragen velen zich af wat er in Banes gaat gebeuren, op dat kleine kerkhof waar de doden zwaarder bewaakt worden dan de gevangenen in een cel.

Hoewel de politieke politie in groten getale aanwezig is, zal men niet kunnen voorkomen dat deze week – in de huiskamers – de naam van Zapato Tamayo meer genoemd zal worden dan de lange reeks eerbetonen aan de General Presidente.

Comments No Comments »

Foto overgenomen van: Superpolitico.blogspot.com

Hij zou met regelmaat zijn vuist opheffen, schreeuwend met zijn luide stem en met een rood aangelopen gezicht, tegenover iedereen die het niet met hem eens is. Zo zou het dagblad Granma eruit zien als het de gestalte aan zou nemen van een persoon; als een vreemde toverspreuk zijn lichaam van gazetpapier zou veranderen in eentje van vlees en botten. Hij zou zich kleden in ruitjesoverhemden, trots wijzend op de scherpe vouwen in zijn kleding, bereikt met meerdere behandelingen met stijfsel. Het lijfblad van de enige toegestane partij in Cuba zou van onbestemde leeftijd zijn en een negentiende-eeuwse mentaliteit hebben, zijn medailles tonend en continu pratend over prestaties die hij waarschijnlijk nooit verrichtte. Hij zou niet luisteren naar anderen, omdat zijn onophoudelijke tirade kritiek, andersluidende ideeën of de kleinste hint van een meningsverschil zou overstemmen. Hij zou zich gedragen als een brompot die niet eens meer met zijn kinderen praat en die iedereen waarvan hij ooit hield van zich heeft vervreemd.

Granma zou, net als iemand die ik ken, de andere kant op kijken als iemand in zijn buurt eten kocht op de zwarte markt. Hij zou zijn bord helemaal schoonlikken zonder te vragen waar het stukje aardappel of het sneetje brood op tafel vandaan kwam. Zijn publicaties in chocoladeletters zouden maniakaal loze kreten schreeuwen, zodra hij wist dat de buren meeluisterden. Hij zou – heel dikwijls – appelleren aan bedrog en intriges. Zijn saaie triomfalistische rapportages zouden zich ontpoppen tot conformistische praatjes, uitgesproken voor de wanhopige gezichten van zijn entourage. Dezelfde krant die tot op de dag van vandaag nog nooit een kleurenfoto heeft gepubliceerd, zou een grijs wezen opleveren, met vervelende platitudes en een ongebreidelde woede. Hij zou de kleinste overtredingen om te overleven opspeuren en deze aanklagen met dezelfde kracht als zijn pagina’s nu aanvallen en leugens publiceren.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar de vleesgeworden “kameraad” Granma zou een van die mensen zijn die ik nooit thuis zou uitnodigen.

Comments No Comments »

Duisternis en licht op het Tahrir plein, een roodachtige gloed onderbroken door het flitsen van camera’s en het licht van de schermpjes van mobiele telefoons. Ik was er niet bij, en toch weet ik wat iedere Egyptenaar voelde, die gisteravond in het centrum van Caïro was. Ik, die nooit heeft kunnen schreeuwen en huilen in het openbaar, blij dat de cyclus van autoritarisme tijdens welke ik ben geboren ten einde is, bevestig dat ik precies hetzelfde zou doen; ik zou mijn stem verliezen, anderen omhelzen, me licht voelen alsof er een enorme last van mijn schouders was gevallen. Ik heb geen revolutie meegemaaakt, en al helemaal geen revolutie van het volk, maar deze week, ondanks de omzichtigheid van de officiële berichtgeving, heb ik voorvoeld het Suezkanaal en de Carribische Zee niet zover uit elkaar liggen, dat het niet zulke verschillende plekken zijn.

Terwijl Egyptische jongeren zich organiseerden via Facebook, keken wij met consternatie naar de gelekte presentatie van een cyber-politieagent, voor wie de sociale netwerken “de vijand” zijn. Hoezeer hebben deze censor van kilobytes en zijn bazen gelijk om deze virtuele ontmoetingsplaatsen te vrezen, waar wij als individuen met elkaar kunnen afspreken en de controle van de overheid, partijleden en ideologen van ons afschudden. Toen ik de woorden van de jonge Wael Ghonim las (“Wil je een land bevrijden? Geef ze internet!”), begrijp ik de geheimzinnigheid beter die onze autoriteiten betrachten als het gaat om de vraag of toegang tot het internet toegestaan moet worden. Men is er gewend aan geraakt een monopolie te hebben op informatie, aan het reguleren van wat ons bereikt, aan het herinterpreteren van gebeurtenissen in binnen- en buitenland. Nu begrijpen ze, aangezien Egypte het hen heeft laten zien, dat ieder stap die ze ons laten zetten in cyperspace ons dichter bij het Tahrir plein brengt, ons razendsnel stuurt richting een trillend plein en een dictator die aftreedt.

Comments No Comments »

In Pabexpo, het expositiecentrum gelegen in het rijkste deel van de stad, worden op dit moment informaticaproducten getoond uit binnen- en buitenland. Genodigden van heinde en verre komen hier samen, inclusief een grote groep buitenlanders van wie ik het me kan voorstellen dat ze meer geïnteresseerd zijn in een uitstapje naar onze paleolithische technologie dan in daadwerkelijk zaken doen met locale bedrijven. De Kaspersky groep, bijvoorbeeld, toont een versie van haar bekende antivirus software, dat samen met het overheidsbedrijf Segumática werd ontwikkeld. Alles lijkt op wat er zou gebeuren op een dergelijk congres waar dan ook ter wereld, op één detail na: dit is het eiland van hen zonder internet.

Alweer dik in het jaar 2011, hebben de inwoners van de “Archipel Cuba” nog niet online een ticket kunnen kopen voor de bus, trein of vliegtuig. Wij kennen niet de sensatie om online te bankieren en het bestellen van een product vanachter een computerbeeldscherm is iets dat we alleen gezien hebben in films. Tot de dag van vandaag kunnen mijn  landgenoten hun papierwerk niet via de e-mail afhandelen, zelfs niet het simpele opvragen van een uittreksel uit het geboorteregister. Denk maar niet dat wij een vakantie kunnen boeken via de gelikte site van hotelketen Islazul. Van de honderden vrienden die ik heb, heeft nog niemand zelf – en vanaf hier – zijn of haar mobiele telefoon kunnen laden op de portals die deze mogelijkheid bieden zonder daarvoor in de lange rij te moeten staan in een ETECSA kantoor. Wij zijn een volk die zijn rekeningen niet via cyberspace kan betalen en die het moet hebben van illegale kopieën van software, aangezien die hier niet te koop is.

Onder deze omstandigheden, eerder karakteristiek voor samenlevingen in de eerste helft van de twintigste eeuw, leven wij. Vandaar dat dit Informatica Festival lijkt op een glimp van de toekomst, op een vitrine om ons te laten zien waarvan we zelfs niet even van hebben geproefd. Als ze weer naar huis gaan, zullen de bezoekers het niveau van de Cubaanse technici prijzen en de smakelijke mojito herinneren waarop ze werden getrakteerd op het afscheidsfeest. Wij zullen ondertussen op de dezelfde voet doorgaan in de duisternis van de niet-aansluiting en onze autistische computers aanzetten die niet in verbinding staan met anderen. Wel dromen wij dat op een dag – na het invullen van een formulier op het internet – op het scherm de bevestiging verschijnt: “Dank voor uw aankoop, uw ticket naar Guantánamo ligt voor u gereed. Wij wensen u een fijne reis!”

Comments No Comments »

Brokken beton, stukken van paden nergens toe leiden, bruggen die geen verbinding maken tussen twee oevers. Monumenten van stedelijke verlamming die men kan vinden langs de nationale autowegen, onafgemaakte bouwwerken die nog altijd dromen over het gewicht van vrachtwagens en motors. Mensen schuilen onder de staketsels, wachtend op vervoer ergens heen, of maken gebruik van de schaduw die deze bogen van het verval werpen. Enorme structuren die alleen als parasol dienen, de duurste ter wereld. Met hun handleuningen die nog nooit de warmte van een hand hebben gevoeld, zetten de incomplete bruggen ons voor gek, steken hun tond naar ons uit door ons te herinneren aan onze urbanistische atrofie, onze rammelende wegennet.

Elke keer als ik onder hun afbrokkelende massa loop, vraag ik mij af: Wat is het nut van deze halve paden zonder auto’s? Wat is de reden van het bestaan van deze onaffe reuzen die nergens naartoe gaan? Ze werden daar opgericht toen men nog voorzag dat dit eiland zich zou vullen met snelwegen, als een levende ruggengraad die zich naar alle kanten vertakt. Enkele decennia later zijn ze nog altijd niet aangesloten op het wegennet, slechts toegankelijk van boven, ironische gastheren voor aasgieren en hagedissen die zich opwarmen op hun zuilen. Monolieten van de immobiliteit van een volk, die in plaats van nieuwe wegen, rotondes en avenuen mee te maken, hebben toegekeken hoe de afgesneden bruggen achteruit gingen en scheuren begonnen te vertonen zonder het rollen van autobanden te hebben gevoeld.

Comments No Comments »

Gezeten in een luie stoel van een hotel, klap ik mijn laptop open, zie het langzame knipperen van de WiFi ontvanger en bekijk de ernstige gezichten van de gasten. Dit kan weer zo’n dag worden waarop ik tracht om mijn eigen blog te bereiken via een anomieme proxy, om de censuur te ontspringen met enkele trucjes die mij in staat stellen het verboden terrein te betreden. Onderaan het scherm zegt een pop-up dat mijn internetsnelheid 41 kilobyte per seconde is. Met een vriendin maak ik grappen dat we ons haar beter in een staart kunnen doen zodat het niet in de war raakt door zoveel “snelheid”. Maar de bandbreedte interesseert me maar weinig op deze middag in februari. Ik ben hier om vrloijk te zijn, niet om me opnieuw te laten deprimeren door de vervloekte filterinstellingen van het internet. Ik ben hier gekomen om te zien of de lange nacht van censuur niet langer boven Generación Y hangt. Met één klik lukt het me om het portaal te bezoeken die ik sinds maart 2008 niet meer heb gezien in een publieke ruimte. Ik ben zo verrast dat ik het uitgil en de camera aan het plafond registreert de vullingen in mijn mond tijdens mijn onbeheerste lachbui.

Na drie jaar kan mijn virtuele ruimte weer worden bekeken in Cuba.

Ik ken de redenen om de blokkade op te heffen niet, hoewel ik kan speculeren dat het Internationale Informatica Festival van Havanna 2011 vele buitenlandse bezoekers heeft getrokken, aan wie maar beter een beeld kan worden getoond van toleratie, van zogenaaamde openingen op het terrein van de vrije meningsuiting. Ook is het mogelijk dat men heeft ingezien dat het verbieden van een site slechts aanleiding geeft voor een verhoogde belangstelling en heeft besloten de verboden vruchten dan maar openlijk te laten zien, die ze de laatste maanden zo hebben proberen te demoniseren. Als het om een technisch ongelukje gaat, die weer wordt hersteld en nieuwe schaduwen zal werpen op mijn virtuele dagboek, dan zal er genoeg tijd zijn om hiertegen luidkeels in het geweer te komen. Maar voor het moment maak ik plannen voor een langer bestaan van de platforms www.desdecuba.com en www.vocescubanas.com.

Dit is een volksoverwinning over de demonen van de controle. We hebben teruggepakt wat ons toenehoort, onze virtuele fora, waarmee men moet leren te leven en die men niet langer kan ontkennen.

Comments No Comments »

Kleine schuwe luifeltjes duiken op vanuit het niets, onder hun schaduwen worden fruitmilkshakes en varkenszwoerd aangeboden. De portiekjes van enkele woningen worden ingericht als geïmproviseerde koffiebarretjes met aantrekkelijke aanbiedingen. Dit alles en meer groeit en bloeit tegenwoordig in de straten van mijn stad, als gevolg van de nieuwe flexibiliseringen van het ondernemerschap. Een paar van mijn buren maken plannen om een schoenmakerswerkplaats te openen of een ruimte waar koelkasten worden gerepareerd, terwijl de avenues en pleinen een metamorfose ondergaan door private initiatieven. De dwangbuis die dit soort initiatieven in zijn greep had, lijkt losser te worden. Er zijn echter ook mensen die voorzichtig afwachten, om te zien of de hervormingen op economisch gebied dit keer echt definitief zijn en niet teruggedraaid zullen worden zoals in de jaren negentig.

In nauwelijks een paar maanden sinds de aankondiging dat het aantal vergunningen voor zelfstandige ondernemingen zou worden verruimd, zijn de resultaten veelbelovend. We beginnen verloren smaken te heroveren, recepten waar reikhalzend naar uit werd gekeken en verborgen producten. Meer dan 70 duizend Cubanen hebben een vergunning aangevraagd om voor eigen rekening en risico te werken en duizenden meer overwegen serieus de voordelen van een klein familiebedrijfje. Ondanks de voorzichtigheid van velen, de nog altijd excessieve belastingen en de afwezigheid van groothandels, beginnen de nieuw gestarte middenstanders op te vallen in een maatschappij die gekenmerkt wordt door immobiliteit. Je ziet ze hun stalletjes opbouwen, kleurrijke posters ophangen om de handelswaar aan te prijzen, hun woningen opnieuw inrichten om een koffiebar mogelijk te maken en knipbeurten of manicuren aanbieden. De meerderheid heeft de overtuiging dat ze nu voorgoed aan de slag zijn, omdat het systeem dat hen zolang heeft verstikt en gedemoniseerd in het verleden, nu de kracht niet meer heeft om met hen te concurreren.

Comments No Comments »