Het leven wordt nooit meer normaal. Het keert nooit terug naar dat moment, voorafgaand aan de tragedie. Het moment dat wij – tegen beter weten in – oproepen als een rustige periode. Ik sla mijn agenda open, ik probeer mijn leven, mijn blog, de berichten op Twitter weer op te pakken…maar ik zit vast. De aflopen dagen zijn te intens geweest.
In mijn hoofd is alleen ruimte voor het gezicht van Reina Tamayo in het halfduister, tegenover het mortuarium waar zij haar zoon voorbereidde en kleedde voor de langste reis. Daarna stapelen de beelden van woensdag zich op: aanhoudingen, klappen, geweld, een naar urine stinkende kerker, naast een andere waar Eugenio Leal en Ricardo Santiago hun rechten opeisten. De rest van de tijd loop ik rond als een pop, kijken zonder zien, typend met woede.
Zo is er niemand die een samenhangende en gematigde zin schrijft. Ik heb zin om te gillen, maar 24 februari heeft me hees gemaakt.
Vanmiddag, enkele uren na de dood van Orlando Zapata Tamayo, konden Reinaldo en ik in de buurt komen van het departement van Forensische Geneeskunde in de Calle Boyeros.
Een cordon van staatsveiligheidsbeambten bewaakte de plek, maar het lukte ons Reina, de moeder van de overledene, aan te spreken en haar enkele vragen te stellen.
Pijn en woede bij ons…verdriet en vastberadenheid bij haar.
Hierbij gaat de opname, amateuristisch en slecht verlicht, maar een hartverscheurende getuigenis van de wanhoop van een moeder.
Transcript van het interview met Reina Tamayo, moeder van Orlando Zapata Tamayo
Yoani Sanchez: We zijn hier om onze deelneming te betuigen. We willen graag weten hoe laat hij is gestorven, wat weet u van zijn laatste minuten, wat voelt u nu, wat gaat er gebeuren als de lijkschouwer klaar is? Reina Luisa Tamayo Dangier: Mijn naam is Reina Luisa Tamayo Dangier, de moeder van de gewetensgevangene Orlando Zapata Tamayo, die werd vastgehouden in het ziekenhuis van de Habana del Este gevangenis. Gisteravond werd hij overgebracht naar het Hermanos Ameijeiras ziekenhuis waar hij om drie uur ’s middags overleed.
Weet u, ik voel een verschrikkelijke pijn, maar ik probeer me staande te houden en de pijn te verdragen. Ik mocht aan zijn zijde zitten tot het over was en hoop nu dat ik de kracht zal hebben om mijn zoon aan te kleden.
We vertrekken naar Banes in de provincie Holguín, waar we een wake zullen houden voor ons familiealtaar, bij mij thuis, zo lang als nodig is.
Ik wil iedereen over mijn pijn vertellen. Ik denk dat de dood van mijn zoon het gevolg was van moord met voorbedachte rade. Mijn zoon werd zijn gehele gevangenschap gemarteld. Hij heeft geleden voor onze familie. Voordat hij naar deze gevangenis werd overgebracht, onthielden ze hem drinkwater gedurende 18 dagen. Mijn zoon is heen gegaan na een hongerstaking van 86 dagen. Hij is een nieuwe Pedro Boitel voor Cuba. [Pedro Luis Boitel stierf in 1972 ten gevolge van een hongerstaking terwijl hij een gevangenisstraf van 10 jaar uitzat.]
Vanuit mijn diepe pijn, roep ik de wereld op te vechten voor de vrijlating van andere gevangen die onterecht vastzitten, zodat niemand ooit nog hetzelfde zal meemaken als mijn jongen, mijn tweede zoon, die geen fysieke nalatenschap achterlaat, geen kind of vrouw. Dank u!
Voor hetzelfde geld was je een prostituee geworden in plaats van een informant voor de staatsveiligheidsdienst. De noodzaak was dermate aanwezig dat het aanbieden van je lichaam in ruil voor een fles shampoo of wat zeepjes altijd een niet ondenkbeeldige mogelijkheid was. Alleen was jouw figuur te iel voor deze handel en was je huid te blank voor de vreemdelingen die op zoek waren naar de kaneeltint uit de brochures. Het ontbrak je aan dat “iets” om het nauwsluitende outfit te kunnen dragen, dat hoort bij de betaalde liefde, en om buiten een hotel rond te hangen met het doel je familie uit de nesten te helpen.
Je stond ook op het punt om een uniform aan te trekken toen je, rond de eindexamens, op het idee kwam om naar de militaire school Camilo Cienfuegos te gaan en op die manier een huis boordevol regels en ellende te ontvluchten. Je dacht dat je er klaar voor was om in een soldaat te veranderen, met opeen geperste lippen, in de hoop om die kleine privileges te bereiken waarvan je mensen van het leger of het Ministerie van Binnenlandse Zaken had zien genieten. Door het tijdige advies van een vriend zag je af van de kreten “Attentie!” en het continue geratel van een AK machinegeweer. Maar als jij, op die bewuste middag in 1990, niet de vraag had gesteld had gekregen “Wat moet jij nou tussen bevelen en loopgraven?”, dan zou je nu misschien iemand intimideren in een gesloten kamer in Villa Marista, waar politieke gevangenen heen worden gebracht.
Je had een bootvluchteling kunnen zijn, suïcidaal, minnares van een Minister, censor of politiek gevangene, agent of slachtoffer. Het was niet mogelijk om zonder kleerscheuren die crisis van de jaren negentig te doorstaan, de ineenstorting van waarden en de marginale omgeving waarin je opgroeide. Een deel van jou bleef achter in rood lycra op een hoek van de straat, in de epaulet van een luitenant, en in die mogelijke personen die je had kunnen zijn en waarvan je door toeval, gebeurtenissen en door je eigen vermoeidheid van bent gered.
In verband met het migratieoverleg tussen Cuba en de VS dat vandaag in Havana plaatsvindt.
Carlitos kwam eindelijk aan in Atlanta, na vijf pogingen om de Straat van Florida over te steken. Bij twee van die aangelegenheden werd hij onderschept door de Amerikaanse kustwacht en teruggestuurd naar Cuba. Maandenlang bewaarde hij de gele stempel die zij hem gaven zodat hij – op legale wijze – een visum kon aanvragen bij de Sector voor Amerikaanse Belangen in Havana. Maar hij verkoos een snellere weg om de kamer, die hij deelde met zijn oma, en de molestaties van de politie in zijn wijk achter zich te laten. Hij werd ook een keer door de Cubaanse kustwacht gegrepen, op 13 augustus drie jaar geleden, toen de propeller van zijn boot afbrak en de reis eindigde in een cel in het dorpje Cojímar. Daar gaven ze hem een boete en vanaf die dag begon een agent in burger druk op hem uit te oefenen en te eisen dat hij een baan zou zoeken.
Na zijn beperkte talenten ingezet te hebben als matroos, lukte het deze 32-jarige jongeman om Ecuador te bereiken, een van weinige landen die nog geen visum vraagt aan Cubanen. Het Zuid-Amerikaanse land fungeerde als trampoline naar het Noord-Amerikaanse territorium, waar hij vandaag de dag probeert een bestaan op te bouwen. De GPS die hem had geholpen bij zijn omzwervingen en het nooit ingevulde formulier om een visum op humanitaire gronden aan te vragen, gaf hij aan een van zijn vrienden. Hij ging niet op weg naar een vastgelegde bestemming, maar rende hard weg van de gefrustreerde veertiger die hij vreesde te worden. Zelfs op zijn meest optimistische dagen kon hij zich niet voorstellen dat hij ooit een eigen dak boven zijn hoofd zou hebben of een salaris die hem in staat zou stellen om niet meer te hoeven stelen van de staat.
Zoals zoveel Cubanen, heeft Carlitos niet kunnen wachten op het materialiseren van de beloften die ons van jongs af aan zijn gemaakt. Hij wilde niet oud worden, gezeten op de stoep voor zijn huis, zijn mislukking verzachtend met alcohol en een of andere pil. Hij plande allerlei ontsnappingen, maar aan het eind was het een oom die een ticket naar Quito betaalde met de illusie dat hij de rest van de familie kon laten overkomen. Hij droomt nog altijd van boten die in het holst van de nacht opduiken en hem gehandboeid meenemen naar Cuba, ruikend naar zout en benzine. Hij wordt wakker en kijkt om hem heen om vast te stellen dat hij nog steeds in zijn kleine appartement is dat hij heeft gehuurd van een vriendin. “Eens een bootvluchteling, altijd een bootvluchteling” peinst hij, terwijl hij zijn kussen goed legt en tracht te dromen over het vaste land.
Honderden keren hoorde ik dat de universiteit – net als een begraafplaats – niet betreden kon worden door de demonen van de repressie. Ik stelde me voor dat zij rondhingen rond de trappen zonder de ruimte van teksten en wiskundige formules waar de studenten zich verscholen binnen te kunnen gaan. Maar deze veronderstelde immuniteit bestond alleen in mijn fantasie; de Cubaanse geschiedenis toont een reeks van inbreuken die de universiteiten van mijn land hebben moeten ondergaan. Onder het toeziend oog van Pallas Athene heeft ideologische dwang ontelbare keren de ruimtes verstoord, geweid aan kennis en eruditie.
In de eerste helft van de twintigste eeuw waren er meerdere studentenprotesten die zelfs het aftreden van de president eisten, een bewijs van de sociale kracht die van de universiteitsburelen uit gaat. Op de muren rond La Colina, waar de universiteit is gevestigd, kan men nog altijd de geverfde leuzen zien van jeugdige ontevredenheid die door latere revolutionaire stromingen is gereduceerd tot apathie. De Universitaire Studentenfederatie (FEU) is niet langer die hogedrukpan van ideeën en daden die meer dan eens de stad op zijn grondvesten deed schudden, maar is verworden tot een vertegenwoordiging van de autoriteiten tegenover de studenten. De organisatie verloor zo haar rebelse karakter en haar leiders worden niet langer gekozen op grond van hun charisma of populariteit maar vanwege hun politieke betrouwbaarheid. De slogan “De universiteit is voor de revolutionairen” heeft ertoe bijgedragen dat “doen alsof” de veiligste methode is om je diploma te behalen.
In de twee jaar sinds het aantreden van Raúl Castro, zijn de uitzettingen om ideologische motieven – in toenemende mate – doorgegaan in de centra van wetenschappelijk onderwijs. Toen men Sahilye Navarro – dochter van een gevangene van de Zwarte Lente van 2003 – verbood om terug te gaan naar haar klaslokaal, begreep ik dat de gemaltraiteerde studentenliga, na eerst op sterven na dood te zijn, nu eindelijk verkeerde in een staat van necrose. Enkele dagen later bedekte de grafsteen van het sektarisme de overblijfselen van de FEU bij het wegsturen van Marta Bravo van haar lerarenopleiding vanwege het eisen van hervormingen in het land. De akkoorden van het requiem werden gecomponeerd door degenen die docent Darío Alejandro Paulino ontsloegen, na het openen van een groep op Facebook om kwesties van de faculteit van Sociale Communicatie te bespreken. Met deze treurige voorvallen heeft de federatie – die ooit werd geleid door Julio Antonio Mella – een bevestiging afgegeven van haar dood, veroorzaakt door de draken van het dogmatisme en de intolerantie die tegenwoordig ongestoord over de universiteitscampus rondwaren.
Steppen, sneeuw, appels en het lawaai van een bijl die hout in ongelijke stukken hakte. Onze kinderjaren voedden zich met deze beelden en vreemde geluiden dankzij de overvloedige aanwezigheid van de Sovjet Unie in het Cuba van de jaren ’70 en ‘80. We bibberden van de kou bij het kijken naar de Tsjechische en Bulgaarse tekenfilmpjes, terwijl buiten de tropenzon ons eraan herinnerde dat we nog altijd in de Cariben waren. Sommigen van ons konden eerder “koniec” zeggen dan het eenlettergrepige “fin”, totdat op een dag de beren emigreerden en ons zonder de films met zegevierende soldaten en lachende muzhiks* achterlieten.
Na 1991 kon men de talrijke oplagen van de Russische uitgeverij MIR alleen nog maar onder een dikke laag stof van desinteresse in tweedehands boekwinkels vinden. Toch heeft de Internationale Boekenbeurs deze februarimaand haar XIXe editie gewijd aan het land dat gedurende tientallen jaren het Cubaanse proces economisch heeft begeleid en ondersteund. De kameraden, die voorheen astronomische prijzen betaalden voor onze suiker – terwijl zij hun olie voor een habbekrats aan ons verkochten – zijn teruggekomen, gekleed in pak en met een das om. Ze zijn geland op het eiland dat ze eens subsidieerden, maar deze keer om hun boekwerken aan de man te brengen, in glanzende kleuren en met onderwerpen die niets met marxisme te maken hebben.
Op het terrein van het Fortaleza de la Cabaña staan lange, elkaar kruisende, rijen om de nieuwe, uit het Oosten gearriveerde titels te kopen. Hier en daar bladeren kinderen door boeken met plaatjes waarop goudgele korenaren staan en mensen die mutsen met enorme oorkleppen dragen. Maar het is niet meer hetzelfde. Was die iconografie in onze levens eens onontkoombaar, bij deze kleintjes van nu is het louter nieuwsgierigheid naar het exotische. In hun kinderlijke belevingswereld zullen sparren niet meer de plaats innemen van palmen en vossen niet meer die van hagedissen; Rusland zal voor hen alleen nog maar een ander en ver oord zijn.
Voetnoot van de vertalers:
* muzhik (Мужик) verwijst naar een arme Russische landarbeider ten tijde van het keizerrijk (voor 1917).
De bijeenkomst was sober en werd bijgewoond door enkele vertegenwoordigers van de gemeentelijke afdeling van het Ministerie van Onderwijs. Het geroezemoes verspreidde zich onder de ouders, gezeten op dezelfde plastic stoeltjes als hun kinderen tijdens de ochtenden. Nu de datum naderde waarop men zou aankondigen bij welk voortgezet onderwijs iedere leerling zou worden geplaatst, was de verwachting dat ons bij die bijeenkomst zou worden gezegd welk aantal plekken voor pre-universitair of beroepsonderwijs aan de school was toegekend. Het bericht over het einde van de “algemeen integrale leerkrachten” verraste ons dus, aangezien wij in de overtuiging leefden dat hun bestaan zou voortduren tot de puberteit van onze achterkleinkinderen.
Het klaarstomen van jongvolwassenen – in versnelde cursussen – zodat ze zelf les konden geven in onderwerpen variërend van grammatica tot wiskunde, bleek een volslagen ramp. Niet vanwege het element van jeugdigheid, wat altijd welkom is elk willekeurig beroep, maar vanwege de snelheid van het onderricht in het leraarschap en de beperkte interesse die velen van hen hadden in deze nobele bezigheid. Geconfronteerd met de exodus van leerkrachten naar andere sectoren met aantrekkelijkere verdiensten, werd het programma van noodleraren uit de grond gestampt en daarmee zakte de al uitgeholde kwaliteit van het Cubaanse onderwijs door het ijs. Kinderen kwamen thuis met de mededeling dat in 1895 in Cuba een “burgeroorlog” had plaatsgevonden en dat geometrische figuren iets hadden dat “rangen” werd genoemd wat wij, ouders, begrepen als “randen”. Ik herinner me met name dat een van die instant-leraren aan zijn leerlingen opbiechtte: “goed je best doen, anders eindig je, net als ik, als leerkracht omdat je geen goede cijfers haalde”.
Daarboven werd een zeer hoog percentage van de schooluren gevuld met teleklassen, met de koude van een scherm waarmee geen interactie mogelijk is. Het achterliggende idee was om, met lessen uitgezonden op tv, de geringe voorbereiding van degenen die voor de klas stonden op te vangen. De teleprofessor verving in veel scholen die van vlees en bloed, terwijl het salaris van de echte docenten slechts symbolisch werd verhoogd, maar nooit boven het equivalent van 30 dollar per maand. Lesgeven werd, meer nog dan het priesterschap, een opoffering. Vandaar dat er personen voor het schoolbord verschenen die de spelling noch de geschiedenis van hun eigen land beheersten. Het waren jongeren die een overeenkomst hadden getekend om leraar te worden en waarvan zij al spijt hadden na de eerste week voor de klas. De incidenten en educatieve deformaties die deze ontwikkeling met zich bracht staat geschreven in het geheime boek van mislukte revolutionaire plannen en van belachelijke aankondigingen van productiequota die nooit werden gehaald. Alleen praten we in dit geval niet over tonnen suiker of hoeveelheden bonen, maar over de vorming van onze kinderen.
Ik haal opgelucht adem dat het langlopende experiment van het noodonderwijs is beëindigd. Maar de dag dat al die mensen met docentenopleiding hun baan als taxichauffeur of barman dan wel de verveling van thuiswerken opgeven om voor de klas te gaan staan, zie ik niet snel gebeuren. Ik zou mij in ieder geval rustiger voelen als Teo, in plaats van een televisiescherm, les krijgt van een persoonlijke leraar die zijn vak verstaat. Ik denk dat we daarvoor, echter, moeten wachten op de achterkleinkinderen.
’s Nachts bewaakt hij de akker met malanga en de lammeren met een kort, huisgemaakt jachtgeweer. Het is het werk van een geïmproviseerde wapenmaker die een stuk pijp met een kleine diameter soldeerde op een roestige laadkamer waaruit een vreemdsoortige haan steekt. Het geluid van het doorladen van het ingenieuze apparaat – bij het eerste ochtendgloren – volstaat om iedereen op de vlucht te jagen die van plan is om de oogst te stelen. Wanneer de zeug moet bevallen, belt hij zijn broer die in het dorp woont om samen, met het door de nood geschapen artefact, de wacht te houden totdat de zon opkomt.
Veel landarbeiders gebruiken illegale wapens die op alternatieve wijze zijn verkregen of gemaakt. Zonder deze wapens zou de vrucht van maanden werken in handen kunnen vallen van “roofdieren” van het gezaaide, ongrijpbare schaduwen die in het duister rondscharrelen. Door de schaarste neemt het aantal roofovervallen op het Cubaanse platteland toe, waardoor de locale bevolking zich genoodzaakt ziet om haar oogst zelf te bewaken. Daarom zie je overal agressieve honden en handgemaakte jachtgeweren opduiken, vooral op de boerderijen waar koeien worden gehouden. Voor een pond rundvlees wordt twee CUC betaald op de zwarte markt die wordt bevoorraad door diefstal en de illegale slacht, ondanks de steeds langere gevangenisstraffen die voor deze delicten worden gegeven.
Voor de bewakers van hun eigen goed kwam het als een verrassing dat officieel werd aangekondigd “dat, op exceptionele gronden en voor deze enkele keer, alle natuurlijke personen en juridische inwoners van het eiland die vuurwapens in bezit hebben zonder de daarvoor vereiste licentie, dit rechtsgeldig kunnen laten registreren”. De heersende stille overtuiging is, echter, dat iedereen die dergelijk bezit publiekelijk toegeeft als antwoord zal worden geconfronteerd met confiscatie. Door deze angst biechten slechts weinigen het bezit van het koude staal op en verkiezen de meesten het risico van het niet hebben van een vergunning boven de onzekerheid om zonder bescherming te komen zitten. Wat het meest zorgen baart, is dat deze landelijke instrumenten ook dienst doen voor degenen die, zonder boerderij of vee, aan de andere kant van het hek in hinderlaag liggen, bereid om ze te gebruiken met het doel om mee te nemen wat niet van hen is.
We zijn gewend geraakt aan opgeklopte cijfers, aan het geheimzinnig gedoe wanneer er iets misging en aan het bruto nationaal product dat nooit een reflectie was van de inhoud van onze portemonnee. Decennialang waren de economische berichten in staat om – achter pagina’s vol met cijfers en analyses – de ernst van onze problemen te verhullen. Onder afgestudeerden in de niet-exacte wetenschap “Financiën”, waren er enkelen – zoals Oscar Espinosa Chepe – die het waagden om bepaalde cijfers als onjuist te ontmaskeren. Zij werden gestraft met het “pyjama plan” van werkeloosheid en stigmatisering.
Deze week heeft een – serieuze en goed geargumenteerde – analyse van de Presbyteriaanse geestelijke Boris Moreno, gepubliceerd in het tijdschrift Palabra Nueva*, mijn nervositeit gevoed over het economische verval dat ons te wachten staat. Onder de suggestieve titel “Waarheen met het Cubaanse schip? Een blik op de economische omgeving”, waarschuwt de auteur ons voor een scherpe val van de materiële en financiële staat van het Eiland. Woorden die ons zouden moeten doen opschudden, ware het niet dat onze oren zijn verstopt door slecht nieuws, na zoveel duiken in het water van de improductiviteit en de schaarste.
Ik ben het eens met de econoom dat de eerste en belangrijkste maatregel die genomen moet worden is “de formele erkenning door de Regering van de capaciteit van alle landgenoten om een eigen mening te vormen, zonder dat zulks enige vorm van represailles oproept. Wij zouden in onze leefomgeving die kwalificaties moeten elimineren, die de uitwisseling van ideeën en meningen in de weg staan”. Na dit gelezen te hebben, stel ik mij mijn buurvrouw voor, gepensioneerd boekhoudster, die op luide toon haar criteria uiteenzet over de noodzaak om privéondernemingen toe te staan, zonder dat dit een protestbijeenkomst voor de deur tot gevolg heeft. Het zal een hele klus zijn om dit te bewerkstelligen, dat weet ik, maar ik koester het idee dat op een dag duizenden hun ideeën zullen uiten en oplossingen zullen bedenken– zonder angst dat men ervan wordt beschuldigd een “huurling te zijn in dienst van een buitenlandse macht”. Wat een enorm kapitaal zal Cuba daarmee terugwinnen!
Hoewel de schatkist niet zomaar zal worden gevuld door voorstellen en argumenten, leert onze ervaring ons wel dat vrijwilligerswerk en uitsluitingen alleen hebben bijgedragen aan het leegmaken daarvan.
Voetnoot van de vertalers:
* Officieel tijdschrift van het aartsbisdom van Havana
Ik zie overal politieagenten. Ik weet niet of ze op mijn netvlies gebrand staan of dat de laatste maanden hun aantal schrikbarend is toegenomen. Ze rijden in Mercedes busjes, staan met z’n drieën op de hoeken van de straat en laten zich op verscheidene plaatsen in de stad met hun herdershonden zien. Terwijl honderden moderne, ronde camera’s ons van bovenaf in de gaten houden, controleren deze lieden in uniform ons op het niveau van de straat met haar verbrokkelde stoepen. Ze duiken op uit het niets en verdwijnen wanneer we ze het hardst nodig hebben. Het vervoer van een zak cement zonder geldige papieren wordt direct slim ontdekt, maar ’s nachts verschijnen ze zelden in een sloppenwijk waar het aantal misdaden maar stijgt en stijgt.
Je hebt ze ook in burger, deze “beschermengelen” die aanwezig zijn in elke rij wachtenden, elk cultureel centrum, op elke plaats waar mensen samenkomen. Ze zijn niet zo makkelijk meer te ontdekken, want ze hebben hun gestreepte pullovers, hun geruite overhemden en hun militaire haarcoupe vervangen door vermommingen, van vlechtjes met gekleurde kralen in het haar tot onderbroeken die boven de rand van hun broek uitkomen. Ze hebben nu mobieltjes bij zich en dragen zonnebrillen en leren sandalen, maar je kunt nog steeds aan hen afzien dat ze niet op hun plaats zijn, met hun gelaatsuitdrukking van iemand die detoneert in de situatie waar hij inlichtingen over verstrekt. Ze gaan naar het Filmfestival, maar hebben nog nooit een film van Fellini gezien; ze komen in galerieën, maar zijn niet in staat uit te maken of een schilderij figuratief of abstract is. Kortom, er is hun geleerd zich te camoufleren, maar men heeft de minachtende trek om hun mond niet weg kunnen halen bij het aanschouwen van “kleinburgerlijke zwakheden”, zoals kunst en alle uitingen daarvan.
Toch heb ik niet de meeste angst voor de groep met een genummerd metalen plaatje op de borst of de undercoveragenten die inlichtingen rapporteren, maar voor de dwingende politieagent die we allemaal in ons meedragen. Hij die op het fluitje van de angst blaast om ons te waarschuwen voor te veel lef en die, iedere keer dat onze kritiek of meningen zich in ons opstapelen, met de boeien van de onverschilligheid rammelt. Hij heeft de Academie voor Zelfcensuur doorlopen en is een soldaat die ons bekwaam de wegen wijst die ons geen moeilijkheden opleveren. Zijn wetboek van strafrecht kent hoogstens een paar korte artikelen:
1) “kom niet in de problemen”
2) “wat jij doet, zal niets veranderen”
Als we op een dag opstaan en het gestamp van zijn laarzen in ons hoofd stil willen krijgen, dan brengt hij ons de tralies, de rechtbanken, de kilte van een provinciale gevangenis in herinnering. Hij hoeft de knuppel niet op te heffen naar onze ribben, want hij weet hoe hij alle registers van de angst open kan trekken en hoe hij die karategrepen kan toepassen zodat ons lichaam, dat al bij voorbaat gepijnigd is, als verlamd is bij het horen van de zin: “Hou je rustig, het is beter te wachten”.
Wij zijn altijd op zoek naar enthousiaste mensen. Als je graag mee wilt werken aan de vertalingen van de bijdragen van Yoani, stuur ons dan een bericht op geny.nl@gmail.com.
We zien jouw bericht graag en met interesse tegemoet!