
In de nachtclub van een luxe hotel gaat elke avond een Europese zakenman van het ene tafeltje naar het andere met een ongewoon verzoek. Hij benadert de gasten en legt hen uit wat de bedoeling is: wanneer de rekening komt, zal hij die betalen met de gekleurde bonnen die hij op zak heeft. In ruil daarvoor vraagt hij of ze hem dat bedrag in CUC’s willen geven, zodat hij die later in dollars of euro’s kan omwisselen en zo mee kan nemen naar het buitenland. Deze man is een slachtoffer van de financiële afgrendeling die talrijke buitenlandse investeerders belet hun winsten buiten het nationale grondgebied te brengen. Om ze niet helemaal tot wanhoop te drijven, staan de Cubaanse autoriteiten hen toe om hun winst op te eten op het hele eiland te betalen met papiertjes zonder werkelijke waarde.
Het drama van de bevroren gelden treft tegenwoordig talrijke zakenlieden die zich gereedmaakten om ons economisch podium te betreden na de goedkeuring van de wet op buitenlandse investeringen van 1995. Ze genoten het voorrecht een bedrijf te kunnen leiden, een positie die absoluut verboden is voor iedereen die hier is geboren. Ze werden de nieuwe klasse van ondernemers in een land waar het Revolutionair Offensief** van 1968 zelfs beslag had gelegd op de stoelen van de schoenpoetsers. De aanzienlijke winsten die ze wisten te behalen maakte hen tot een zeer begerenswaardige prooi voor hoertjes, verhuurbedrijven en de staatsveiligheidsdienst. Velen van hen zag men, vergezeld van heel jonge vrouwen, in de duurste restaurants exquise gerechten kiezen. Anderen – de minderheid – gaven hun werknemers als extraatje cadeautjes ter compensatie van de lage salarissen in Cubaanse peso’s die ze uit de staatskas ontvingen.
Deze vertegenwoordigers van een “bedrijfsvoorhoede” waren bereid een beetje kapitaal in te leveren, als ze maar – meteen – konden meedelen in de grote taart die op een dag zou worden verdeeld. Maar de mensen die de contracten ondertekenden en samen met hen het glas hieven na een akkoord, beschouwden de ondernemers slechts als een noodzakelijk en tijdelijk kwaad, een anomalie die zou worden uitgebannen zodra de Speciale Periode*** afgelopen zou zijn. Na zoveel beloften en garanties hebben ze hen een paar maanden geleden de lege kluizen laten zien, terwijl ze steeds herhalen: “we kunnen u niet betalen”. Opeens voelen deze ondernemers nu ook de machteloosheid en de schreeuw – die halverwege de keel blijft steken – waar wij Cubanen dag in dag uit onder gebukt gaan. Toch zijn zij nog niet zo weerloos als wij tegenover de roofzucht van de Staat: een paspoort van een ander land stelt hun in staat om op een vliegtuig te stappen en de hele zaak te vergeten.
Voetnoot van de vertalers:
* El Corralito was de term voor de bevriezing van alle banktegoeden in Argentinië tussen december 2001 en december 2002, ingesteld door de regering van Fernando de la Rúa met als doel om de uitstroom van geld uit het bancaire systeem en daarmee het ineenstorten van de economie te voorkomen.
** In het zgn. Revolutionair Offensief van 1968 werden alle kleine bedrijfjes onteigend door de Cubaanse regering. Sindsdien is de staat eigenaar van alle productiemiddelen.
*** De Speciale Periode is een lange periode van economische crisis in Cuba die in 1991 begon na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het stopzetten van de economische en militaire steun.








Entries (RSS)