Archive for Januar, 2010


Vrijdag was vanaf het begin al een moeilijke dag, dat zal ik niet ontkennen. ’s Ochtends misten we Claudio, leraar fotografie van de Blogger Academie, omdat een agent – die heel vluchtig een verkleurde identiteitskaart liet zien met de afkorting DSE – hem had opgepakt. Thuis, na de les, hielden we een klein feestje om de eerste verjaardag van Voces Cubanas te vieren, waarop nu al 26 persoonlijke sites zijn te bewonderen. Ik herinner me dat, te midden van de omhelzingen, iemand tegen me zei dat ik goed op mezelf moest passen. “In een dergelijk staatsbestel kan men zich onmogelijk beschermen tegen aanvallen van de overheid” zei ik hem in een poging om mijn eigen angst te verdrijven.

Rond zes uur ’s middags gingen we naar een familiebijeenkomst. 36 jaar geleden – bij het eerste ochtendgloren op de dag van de spoorwegen – schonk mijn zus mijn vader haar eerste gekrijs. Zelfs Teo, in zijn pubertijd niet happig op de activiteiten van de “ouwelui”, besloot om mee te gaan. Daar zou  typische verjaardag op ons wachten van foto’s, uitgeblazen kaarsen en “Van harte, Yunia, dat het maar een vrolijke dag mag worden…” Alleen lagen er verschillende ogen op de loer die andere plannen met ons hadden. Midden op de Avenida Boyeros, op enkele meters van MINFAR en het kantoor van Raúl Castro, reden drie auto’s de miserabele Lada klem waar wij op een hoek in waren gestapt.

“Het komt toch niet in je hoofd op om door Calle 23 te rijden, Yoani, want daar organiseert de Unie van Jonge Communisten een actie”, schreeuwden enkele mannen die uit een Geely stapten van Chinese makelij, die een hevige pijn in mijn onderrug opriep. Iets soortgelijks maakte ik afgelopen november al mee en vandaag zou ik mij niet in een andere auto laten proppen, in gezelschap van mijn zoon. Een grote man stapte uit de auto en herhaalde zijn bedreigingen. “Hoe is uw naam?”, vroeg Reinaldo, maar de man had niet de moed te antwoorden. Uit het slanke lijf van Teo klonk ironisch: “Hij zegt zijn naam niet omdat hij een lafaard is”. Het is nog erger, Teo, het is nog erger. Hij zegt zijn naam niet omdat hij zichzelf niet als individu beschouwt maar als een simpele spreekbuis van de mensen boven hem. Een professionele camera filmde al onze bewegingen, in de hoop op een agressieve houding, een onfatsoenlijke kreet of een uitbarsting van woede. De injectie van angst duurde kort, maar de verjaardag was bedorven.

Hoe kunnen we hier ongeschonden uitkomen? Hoe kan een burger zichzelf beschermen tegen een Staat, die beschikt over politie en rechters, over turbas*, massamedia, de macht om ons zwart te maken en leugens te verspreiden? Een Staat, die de macht heeft ons maatschappelijk te lynchen en de burger te veranderen in een overwonnene die om vergeving vraagt? Waar is men zo bang voor? Wat zou er volgens hen in Calle 23 gebeuren, waardoor er enkele bloggers werden vastgezet?

Ik voel een angst waardoor ik bijna niet kan typen, maar ik wil hen, die vandaag mij en mijn gezin bedreigden, zeggen dat wanneer iemand in een bepaalde staat van paniek geraakt, een grotere dosis paniek hem onverschillig laat. Ik zal ophouden met schrijven, noch met twitteren; ik heb geen plannen mijn blog te sluiten en zal mijn gewoonte om met mijn eigen verstand te denken niet verlaten en – boven alles – zal ik de gedachte niet van mij afzetten dat deze mensen veel banger zijn dan ik.

Voetnoot van de vertalers:
* turba: vorm van getolereerde straatterreur, uitgevoerd door burgers die de bescherming genieten van de autoriteiten. Politie houdt zich meestal (enige tijd) afzijdig.

Comments No Comments »


Al lang geleden viel onze identiteit niet langer samen met een Eiland. Geboren worden en opgroeien op dit langgerekte grondgebied is niet meer het belangrijkste criterium om de nationaliteit ervan te dragen. We zijn een volk verspreid over vijf continenten, alsof een losse, rondzwervende hand, daartoe aangedreven door economische behoeften en gebrek aan vrijheid, ons heeft uitgestrooid over de wereldkaart.

Ik weet wat men voelt. Ik weet hoe moeilijk het is naar een Cubaanse ambassade te gaan in een willekeurig land en daar om een handtekening gevraagd te worden voor de vrijlating van vijf agenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken die gevangen zitten in de Verenigde Staten, maar waar je niet gevraagd wordt of ze je ergens mee kunnen helpen. Ik heb een meisje horen huilen op een Ambassade in Europa, terwijl een ambtenaar maar tegen haar blijft zeggen, dat ze niet terug kan naar haar eigen land, omdat ze de termijn van elf maanden, waarvoor ze een uitreisvisum had, heeft overschreden. Ik ben er ook getuige van geweest hoe het er hier aan toegaat: de afwijzing die velen ontvingen die hier de witte kaart aanvragen om in een vliegtuig te stappen en uit het isolement te springen. Reisbeperkingen zijn voor ons een normale gang van zaken geworden en sommigen zijn gaan geloven dat het zo hoort te zijn, omdat het leren kennen van andere oorden een gunst is die men ons verleent, een privilege dat men ons toekent.

Het handjevol mensen dat bepaalt wie deze archipel in of uit mag heeft vooraf de deelnemers geselecteerd aan de conferentie “Natie en Emigratie”, die vanaf vandaag in het Paleis van het Congres wordt gehouden. Ik heb de agendapunten gelezen voor het debat op deze twee dagen en ik geloof niet, dat die de zorgen en behoeften van de meeste Cubaanse emigranten weergeven. Wat in het oog springt is, dat niet wordt gesproken over de eis te stoppen met het confisqueren van bezittingen van degenen die zich in een ander land vestigen. Evenmin staat de noodzaak om ballingen hun stemrecht terug te geven op de lijst. Op de te behandelen agenda vind ik zelfs niet de aankondiging dat er een eind komt aan de beperkingen die velen ondervinden wanneer ze toegelaten willen worden tot of zich willen vestigen in hun eigen geboorteland.

De groep die is gekozen vertegenwoordigt ook al niet de groep die op het Eiland woont, in alle pluriformiteit en schakeringen, maar heeft wel het stempel van het officiële en de starheid van een geleide afvaardiging. Beide groepen deelnemers – zowel de binnenlandse als de buitenlandse – zijn gekortwiekt en gescreend om te voorkomen dat “Natie en Emigratie” uitloopt op een opsomming van de wreedheden waaronder wij bij migratie te lijden hebben. De autoriteiten willen in de enorme zaal – waar gewoonlijk het Parlement vergadert – liever het oorverdovende geluid van applaus horen dan protesten en kritiek.

Comments No Comments »


Het huishoudelijke leven kent ondankbare taakjes. De kraan boven de wasbak lekt, de lamp in de huiskamer is stuk, de sleutel van de voordeur draait moeilijk en op een kwade dag – afschuwelijk! – houdt de koelkast ermee op. Aan de grond genageld, zien we dat de vrieselementen beginnen te druppelen en dat het typische gezoem van het apparaat niet meer te horen is. Vorige week beleefde een van onze kennissen een tragedie van deze omvang.

’s Ochtends vroeg belde hij de dichtstbijzijnde Eenheid voor Huishoudelijke Reparaties, maar die namen niet op of de lijn was bezet. Hij besloot er zelf heen te gaan en achter de receptie zat een meisje heel nauwkeurig haar nagels te vijlen. Terneergeslagen vertelde hij het hele verhaal en beschreef de symptomen. Hij stond zelfs op het punt om zich te wagen aan een diagnose toen zij hem onderbrak met de mededeling dat het zonder enige twijfel ging om de timer  en dat het magazijn deze onderdelen niet op voorraad had. De werkplaats had een wachtlijst en de wachttijd liep op tot een paar maanden. Als een intelligent man, met veel levenswijsheid, formuleerde de behoeftige klant de juiste vraag op de toepasselijke toon: “En kunnen we dit niet op een andere manier oplossen?” De vrouw hield op met haar manicure en gilde naar een monteur.

Na overeenstemming te hebben bereikt over de prijs, was iedereen tevreden. Nog diezelfde middag deed de koelkast het weer en keerde de elektricien huiswaarts met het equivalent van bijna twee maandsalarissen. Die avond nam mijn kennis, die barman is in een vijfsterrenhotel, enkele flessen rum van de zwarte markt mee. Hiermee maakte hij de eerste mojitos en smakelijke piña colada’s die de toeristen bestelden. Zij konden niet vermoeden dat ze daarmee de klap hielpen opvangen van de reparatie van de koelkast, het gapende gat in de begroting van de barman.

Comments No Comments »


In de nachtclub van een luxe hotel gaat elke avond een Europese zakenman van het ene tafeltje naar het andere met een ongewoon verzoek. Hij benadert de gasten en legt hen uit wat de bedoeling is: wanneer de rekening komt, zal hij die betalen met de gekleurde bonnen die hij op zak heeft. In ruil daarvoor vraagt hij of ze hem dat bedrag in CUC’s willen geven, zodat hij die later in dollars of euro’s kan omwisselen en zo mee kan nemen naar het buitenland. Deze man is een slachtoffer van de financiële afgrendeling die talrijke buitenlandse investeerders belet hun winsten buiten het nationale grondgebied te brengen. Om ze niet helemaal tot wanhoop te drijven, staan de Cubaanse autoriteiten hen toe om hun winst op te eten op het hele eiland te betalen met papiertjes zonder werkelijke waarde.

Het drama van de bevroren gelden treft tegenwoordig talrijke zakenlieden die zich gereedmaakten om ons economisch podium te betreden na de goedkeuring van de wet op buitenlandse investeringen van 1995. Ze genoten het voorrecht een bedrijf te kunnen leiden, een positie die absoluut verboden is voor iedereen die hier is geboren. Ze werden de nieuwe klasse van ondernemers in een land waar het Revolutionair Offensief** van 1968 zelfs beslag had gelegd op de stoelen van de schoenpoetsers. De aanzienlijke winsten die ze wisten te behalen maakte hen tot een zeer begerenswaardige prooi voor hoertjes, verhuurbedrijven en de staatsveiligheidsdienst. Velen van hen zag men, vergezeld van heel jonge vrouwen, in de duurste restaurants exquise gerechten kiezen. Anderen – de minderheid – gaven hun werknemers als extraatje cadeautjes ter compensatie van de lage salarissen in Cubaanse peso’s die ze uit de staatskas ontvingen.

Deze vertegenwoordigers van een “bedrijfsvoorhoede” waren bereid een beetje kapitaal in te leveren, als ze maar – meteen – konden meedelen in de grote taart die op een dag zou worden verdeeld. Maar de mensen die de contracten ondertekenden en samen met hen het glas hieven na een akkoord, beschouwden de ondernemers slechts als een noodzakelijk en tijdelijk kwaad, een anomalie die zou worden uitgebannen zodra de Speciale Periode*** afgelopen zou zijn. Na zoveel beloften en garanties hebben ze hen een paar maanden geleden de lege kluizen laten zien, terwijl ze steeds herhalen: “we kunnen u niet betalen”. Opeens voelen deze ondernemers nu ook de machteloosheid en de schreeuw – die halverwege de keel blijft steken – waar wij Cubanen dag in dag uit onder gebukt gaan. Toch zijn zij nog niet zo weerloos als wij tegenover de roofzucht van de Staat: een paspoort van een ander land stelt hun in staat om op een vliegtuig te stappen en de hele zaak te vergeten.

Voetnoot van de vertalers:

* El Corralito was de term voor de bevriezing van alle banktegoeden in Argentinië tussen december 2001 en december 2002, ingesteld door de regering van Fernando de la Rúa met als doel om de uitstroom van geld uit het bancaire systeem en daarmee het ineenstorten van de economie te voorkomen.

** In het zgn. Revolutionair Offensief van 1968 werden alle kleine bedrijfjes onteigend door de Cubaanse regering. Sindsdien is de staat eigenaar van alle productiemiddelen.

*** De Speciale Periode is een lange periode van economische crisis in Cuba die in 1991 begon na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het stopzetten van de economische en militaire steun.

Comments No Comments »


Gekken zijn een gemakkelijke prooi voor de gemeneriken, die hen uitschelden op straat en zo hun waanbeelden aanwakkeren. Er woonde er één in mijn wijk, die urenlang met twee papieren boten speelde in een vreemde regatta zonder ooit ergens aan te komen. Zijn moeder hield hem kalm met benzadril en diazepam voordat hij werd overgebracht naar Mazorra, het bekende psychiatrisch ziekenhuis van Havana.

Het hoofd van die vrouw zat nog vol met beelden van de vroegere kliniek voor geesteszieken aan de Boyerosstraat, met zijn opeenstapeling van terreur en materiële verloedering. Halfnaakte patiënten, muren besmeurd met menselijke uitwerpselen en een gebrek aan toezicht waren de achtergrond voor de ergste gruwelijkheden. De foto’s werden gepubliceerd in tijdschriften die in dat verre jaar 1959 verschenen. Daarna kwamen de reportages op televisie, schone lakens, bezigheidstherapie en zelfs billboards met politieke leuzen waardoor het beeld van de verschrikkingen veranderde. Behalve dan dat gekken, zoals ik al zei, een makkelijke prooi zijn voor de gemeneriken.

Sinds de jaren negentig, toen de Speciale Periode begon, werd bij het verduisteren van de beschikbare middelen genadeloos misbruik gemaakt van Mazorra. De bewoners van de nabijgelegen straten waren goed voorzien van goederen vanwege een zwarte markt in lakens, voedsel, kleding, handdoeken en medicijnen, die uit het ziekenhuis kwamen. De inwoners van Mazorra dachten dat het een deel van hun dagelijks lijden was, dat – zoals in de film “Gaslight” — iedere dag meer gloeilampen in de kamers ontbraken. Al het onmisbare werd gestolen en niemand merkte de gebroken ruiten, verstopte toiletten en de doorgezakte bedden nog op. Maar deze keer kreeg geen enkele journalist toestemming om de misère te beschrijven.

Echter, de officiële pers kon de dood van 26 patiënten - sommigen zeggen dat het ware cijfer aantal de 40 nadert - vanwege onderkoeling en andere ziekteverschijnselen verbonden met verwaarlozing niet verborgen houden. Zij verloren hun leven tijdens enkele  koude dagen in januari, dicht tegen elkaar aan gekropen, zonder daarmee hun einde te kunnen voorkomen. De gemeneriken, van hun kant, bouwden huizen van de winst van hun roof en geloofden dat niemand ooit hun achterbaks gedrag zou ontdekken. Vandaag wordt er onderzoek gedaan naar de verantwoordelijken in het ziekenhuis, dat door politie is afgegrendeld om nieuwsgierigen weg te houden. Er zijn nog geen beelden vrij gegeven, maar mij kwelt de gedachte hoe zeer deze patiënten, in hun hulpeloosheid, zullen lijken op de gezichten van de foto’s die we in het verleden zagen.

Foto’s overgenomen van: Cubalagrannacion

Comments 1 Comment »


“Welke naam denk jij dat ik hem moet geven?” vraagt een vriendin aan me die zes maanden zwanger is van een jongetje. Het eerste dat me te binnenschiet is het gewone “José”. Ze trekt een afkeurend gezicht en dus moet ik wel op zoek naar iets minder traditioneels. Ik laat de uitgebreide lijst waarop Mateo, Lázaro of Fabián staat de revue passeren, maar geen enkele bevalt de kritische moeder. Als dit zich twintig jaar geleden had voorgedaan, zou de baby zijn opgescheept met een Griekse y, zoals veel kinderen die in de jaren ‘70 en ‘80 werden geboren. Toch lijkt die vreemde mode om de voorlaatste letter van het alfabet te gebruiken nu voorbij.

Gedurende een periode van zo’n vijftien à twintig jaar bedachten de Cubanen namen voor hun kinderen met een vrijheid die ze op andere terreinen van het leven niet kenden. De grauwheid die over ons bestaan hing, vanwege de gerantsoeneerde markt en de controle van de staat, verdween als sneeuw voor de zon wanneer een pasgeborene bij de burgerlijke stand werd ingeschreven. Ouders jongleerden met de taal en bedachten echte tongbrekers, zoals bij voorbeeld die van een beroemde honkballer, “Vicyohandri” genaamd. Sommigen kregen zelfs de vreemde samenstelling “Yesdasí” tot naam, een mix van het woord “ja” in het Engels, Russisch en Spaans.

Gelukkig is sinds enige jaren deze mode bij het kiezen van een naam weer geluwd. Een hele generatie die het gevoel had zijn naam te hebben gekregen alsof het om een laboratoriumexperiment ging, keert nu liever terug naar de oude gewoonte. Vandaar dat mijn vriendin me na een paar dagen heeft opgebeld om me te vertellen wat ze had besloten: de baby zal Juan Carlos heten. Aan de andere kant van de lijn haal ik opgelucht adem: het gezonde verstand is weer terug bij het bedenken van een naam voor een kind.

Comments No Comments »


Foto overgenomen van:  http://mashable.com/

Een eiland dat een geschiedenis van opeenvolgende drama’s, invasies en dictators kent, vertoont vandaag de brokstukken van een ramp, de gevolgen van een aardbeving die, hoewel een natuurlijk fenomeen, niet minder afschuwelijk is. Op dit Haïti dat Carpentier* ons schetste in zijn boek “Het koninkrijk van deze wereld” en dat door de berichten in de media ons medelijden heeft gewekt, is de misère een chronische toestand geworden en gejammer een alledaags spraakgebruik. Het vaderland van Jacques Roumain** is behalve door een aardbeving geschokt door ellende, bovenop de bestaande sociale instabiliteit, het economische debacle en de wanhoop. Voor ieder land zou iets dergelijks een ramp zijn, voor Haïti is het een totale Apocalyps.

Het is nu niet het moment om met het leed politiek te bedrijven en ook niet om voor de microfoon hulp te beloven, maar om onvoorwaardelijk bijstand te verlenen zonder erkentelijkheid of dankbaarheid daarvoor te verwachten. Ik ben vooral bang, dat over een maand of drie het lijden in geen enkele krant nog voorpaginanieuws zal zijn en dat mensen denken dat het Haïtiaans drama niet urgent meer is. Ik vrees dat we de misère gewoon gaan vinden en we ongevoelig worden voor elk drama, dat we alleen nog oog hebben voor onze eigen problemen zonder te merken dat men hiernaast schreeuwt van ellende.

De seismograaf kan aangeven dat er zich geen nieuwe schokken zullen voordoen, maar de teller van leven en dood staat in het rood. Het is hoog tijd om te hulp te komen en dat dan ook meteen te doen.

Op dit ogenblik zijn verscheidene bloggers, samen met andere burgers uit de Cubaanse samenleving, bezig een manier te zoeken om de getroffenen een kleine bijdrage te verschaffen. We zijn van plan kleding, medicijnen en toiletartikelen in te zamelen en die naar de plaatselijke afdeling van Caritas in Havanna te brengen.

Voetnoot van de vertalers:

* Alejo Carpentier, Cubaanse schrijver (1904 – 1980). Na een verblijf op Haïti schrijft hij een boek over de Haïtiaanse revolutie (1791—1804), de eerste en enige succesvolle slavenopstand op het Westelijk halfrond en leidde tot het uitroepen van Haïti als een vrije zwarte republiek.
** Jacques Roumain, Haïtiaanse schrijver en politicus (1907 – 1944).

Comments No Comments »


Ik verlaat het huis, ingepakt in enkele truien en een oeroude sjaal. De afstand is kort, maar bij zo’n lage temperatuur vergt elke stap die ik zet een grote inspanning. De mensen naast mij lopen er net zo ‘verkleed’ bij en ik zie zelfs iemand die zijn dekbed om zijn schouders lijkt te hebben geslagen. Hoewel ik op het korte stukje van huis naar de bakker niemand tegenkom met een goede winterjas, stel ik vast dat de vindingrijkheid van het volk niet stilvalt met het dalen van de thermometer. Ze hebben de oude regenjassen uit de Sovjettijd uit de mottenballen gehaald, met hun gigantische knopen en met de nu verbleekte kleuren. Anderen die zelfs niet zoiets hebben om aan te trekken, zijn simpelweg thuisgebleven.

Ik nader een plaats waar je ook brood kunt kopen zonder rantsoenenboekje en een stokbrood kost net zoveel als een daginkomen. Opvallend genoeg lopen veel mensen die ik onderweg zag, in hun eigenaardige en geïmproviseerde kleren, in dezelfde richting als ik. Als we dichterbij komen, stel ik vast dat iedereen achter hetzelfde schaarse voedsel aanzit, dat ons al enkele weken in de ban heeft. Een paar meter voordat ik de plaats bereik, roept iemand die ons voor was: “Er is niets meer”, als een emmer ijskoud water over ons hoofd. Ik draai me om en ga naar huis. Morgen wordt weer een dag zonder ontbijt.

De komst van de noordenwind valt niet alleen samen met het verdwijnen van het brood, maar ook met de vlucht van de melk. Alsof de winter de ovens heeft uitgeschakeld en de uiers van de koeien heeft bevroren. Hoewel op de televisie melding wordt gemaakt van een productieoverschot voor de kostbare melk, bewijzen de zwarte koffie en de smakeloze thee elke ochtend het tegendeel. Het zijn tijden waarin we in een ruk opstaan, zonder naar de ontbijttafel om te zien, waarin we de kinderen zeggen geen vragen te stellen en waarin wij werk, weblog, vrienden en het leven links laten liggen, om ons volledig te concentreren op de jacht naar een stuk brood en een glas melk. Tijden waarin we ons door het stof van gebrek en lange rijen slepen. Want om aan deze negatieve cyclus te ontkomen en weer te vliegen hebben we – meer nog dan vleugels – de brandstof van het voedsel nodig.

Comments No Comments »


In het jaar dat ik het levenslicht zag werd het eerste Congres van de Communistische Partij Cuba gehouden en de centralisatie van de handel en diensten was bijna absoluut. Buiten de rantsoenenmarkt kon men alleen een paar boeken, tijdschriften en bioscoopkaartjes kopen. De rest van de producten en diensten stond onder het ernstige stempel van het beperkte, opgesloten in de gesubsidieerde quota die we elke maand ontvingen. Zelfs om een scheermesje te kopen moest men het rantsoenenboekje overhandigen waarin een verkoopster het nummer afvinkte dat correspondeerde met de scherpe mesjes.

Met het eten gebeurde iets soortgelijks en vooral met het fruit van ons vruchtbare land, dat in gelimiteerde hoeveelheden werd uitgedeeld aan iedere consument. De aardappel werd het strengst gecontroleerd door overheidsogen. Gedurende mijn hele leven is deze knol slechts te vinden geweest in de schappen van de rantsoenenmarkt. Hij arriveerde elke drie of vier maanden om ons te vereren met zijn aanwezigheid en smaak. Ik droomde over aardappelpuree met boter of een bord vol met frietjes. Ik ging zelfs denken dat zijn zachte textuur geoogst werd op de afgelegen vlaktes van Siberië in plaats van op de akkers van mijn eigen land.

Onafhankelijke boeren waren verplicht om hun hele aardappeloogst te verkopen aan de staat, die hard strafte als men zich niet hield aan deze strikte regel. Vandaar dat wij gewend waren om slechts een paar maal per jaar piepers op ons bord te zien opdagen en vandaar dat wij hen een plek gaven in culinaire dromen. Totdat enkele weken geleden de regering van Raúl Castro besloot om de verkoop van aardappelen vrij te geven en ze te schrappen van de steeds kariger rantsoenenmarkt. Nu is het niet meer nodig om een document te tonen als je een kilo piepers koopt. Het enige wat nog ontbreekt zijn aardappelen in de schappen, voordat we ze daadwerkelijk in onze tas kunnen stoppen en mee naar huis kunnen nemen.

Comments No Comments »


Een aantal jaren geleden las ik een studie van de Internationale Organisatie voor Arbeid, waarin men het beroep van journalist op wereldniveau als het op één na gevaarlijkste beschouwde. Alleen het maken van proefvluchten met nieuwe vliegtuigmodellen werd gevaarlijker geacht. Ik weet niet of in het onderzoek ook krokodillenjagers of bodyguards waren meegenomen, maar de studie was in de jaren negentig gedaan toen er nog geen bloggers waren.

Journalist zijn brengt in Cuba niet de risico’s met zich mee die verslaggevers in andere landen lopen. Hier worden opstellers van nieuwsberichten niet beschoten of ontvoerd, maar hen wordt veeleer het plezier in hun werk vergald. Waarom een persoon uit de weg ruimen die ongemakkelijke waarheden opschrijft, als men hem buiten spel kan zetten door middel van de grote, rode pen van de censor? Waarom hem vermoorden als alle middelen ter beschikking staan om hem te temmen? De professionele dood beïnvloed de statistieken niet, maar het frustreert wel degenen die – zoals ik – op een goede dag hun lot verbonden aan informatievoorziening. Hij die op dit eiland kiest voor de journalistiek weet dat alle media in handen zijn van de macht, of je het nou de Staat, de enige partij of de Hoogste Leider noemt. Hij weet dat hij zal moeten zeggen wat goed uitkomt en wat noodzakelijk is en dat applaudisseren niet voldoende zal zijn als hij dat niet doet met toewijding, met veel enthousiasme. In die gevallen loopt het geweten een enorm gevaar.

Al ruim twintig jaar bestaat er op ons eiland een nieuw type verslaggever. Het bijvoeglijk naamwoord ‘onafhankelijk’ onderscheidt hen van de officiële pers. Zij worden geconfronteerd met andere gevaren, maar hebben andere kansen. Het is aannemelijk dat velen geen universitaire opleiding hebben gevolgd, maar ze leerden wel vertellen wat de partijgebonden pers verborgen hield, ze specialiseerden zich in het aan de kaak stellen van allerlei zaken, ze bekwaamden zich in de verborgen kant van de geschiedenis. In het voorjaar van 2003 werd alles wat gevaarlijk en risicovol leek omgezet in straf. Velen van hen gingen de cel in om straffen van tien, vijftien, twintig jaar uit te zitten. De meesten zitten nog steeds achter tralies.

Wij bloggers kwamen later, onder andere omdat de technologie langzaam zijn intrede heeft gedaan bij ons. Ik zou durven zeggen, dat de autoriteiten zich niet konden voorstellen, dat de burgers hun toevlucht zouden nemen tot een mondiaal middel om zich te uiten. De overheid heeft de macht over de camera’s in de televisiestudio’s, de microfoons op de radiostations en de pagina’s van kranten en tijdschriften voor zover ze op het eiland gevestigd zijn, maar daar boven, ver buiten haar bereik, biedt een netwerk van satellieten – gedemoniseerd maar onmisbaar – de mogelijkheid aan wie dat wil om zijn meningen er praktisch onbeperkt op te plaatsen.

Het heeft de autoriteiten tijd gekost om dat te begrijpen, maar ze beseffen het nu. Ze weten nu dat ze, om een blogger tot zwijgen te brengen, niet dezelfde methoden kunnen gebruiken waarmee ze zo vele journalisten de mond hebben kunnen snoeren. Niemand kan die brutale lui van het web ontslaan uit de redactie van een krant of hen als compensatie een weekje in Varadero of een Lada beloven. En hen met een reis naar Oost-Europa paaien werkt al helemaal niet. Om een blogger te neutraliseren moet men hem uit de weg ruimen of intimideren en dat dilemma wordt zo langzamerhand begrepen door de staat, de partij …de Generaal.

Comments No Comments »